ECLI:NL:RBDHA:2026:9766
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij buiten behandeling stellen paspoortaanvraag
Verzoekster, geboren in 1965 en met Nederlandse vader, verloor volgens verweerder het Nederlanderschap door het verkrijgen van de [land 2] nationaliteit in 1989. Haar aanvraag voor een Nederlands paspoort werd daarom buiten behandeling gesteld. Verzoekster stelde bezwaar in en vroeg een voorlopige voorziening om haar Nederlandse nationaliteit te behouden en een paspoort te verkrijgen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de geldigheid van haar verblijfsvergunning in [land 1] afhankelijk is van het Nederlandse paspoort, noch dat zij op korte termijn moet uitreizen. Ook was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, aangezien de complexe rechtsvraag over het Nederlanderschap beter in de bezwaarprocedure kan worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk is en wees het af zonder zitting. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.