Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Almere [slachtoffer] heeft mishandeld door bij die [slachtoffer] de pruik van het hoofd te trekken;
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Almere als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto met kenteken [kenteken 1] , dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 220 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
3.De bewijsbeslissing
hij op 2 augustus 2025 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan een ander, toebehoorde heeft beschadigd;
hij op 2 augustus 2025 te Almere [slachtoffer] heeft mishandeld door bij die [slachtoffer] de pruik van het hoofd te trekken;
hij op 2 augustus 2025 te Almere als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto met kenteken [kenteken 1] , dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.
Dit beïnvloedde gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.
gemaximeerdetbs-maatregel. Nu – zoals hiervoor overwogen – ‘de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen’ niet alleen de reden maar ook de inzet is van de oplegging van een in duur
ongemaximeerdetbs met voorwaarden, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel van artikel 38z Sr. In het geval van een in duur ongemaximeerde tbs met voorwaarden geldt dat het verlengen van de tbs-maatregel de aangewezen weg is wanneer het recidiverisico ten aanzien van de verdachte niet voldoende is afgenomen.
7.De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer]
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
266 (TWEEHONDERDZESENZESTIG) DAGEN;
dadelijk uitvoerbaaris;
dadelijk uitvoerbaaris;