Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9777

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.19459
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 106 VwArt. 5.1a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

Bij besluit van 31 maart 2026 is aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat de maatregel inmiddels was opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was geweest. Eiseres stelde dat de maatregel uiterlijk op 8 april 2026 had moeten worden opgeheven vanwege voldoende informatie over haar situatie en emotionele kwetsbaarheid.

De rechtbank volgde dit niet en oordeelde dat verweerder niet verplicht was om voorafgaand aan het nader gehoor een pré-toets te verrichten en dat een redelijke termijn voor onderzoek moest worden gegeven. Het nader gehoor vond plaats op 10 april 2026, waarna op 11 april 2026 de maatregel werd opgeheven. Dit werd als voldoende voortvarend beschouwd.

De rechtbank zag geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19459

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 14 april 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 15 april 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 17 april 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
5. Kort samengevat voert eiseres het volgende aan. Primair betoogt eiseres dat de maatregel uiterlijk op 8 april 2026 had moeten worden opgeheven, omdat verweerder op dat moment genoeg informatie had om te concluderen dat de asielaanvraag zich niet langer leende voor de grensprocedure. Daarbij is van belang dat het staatsveiligheidsdocument met de vermelding van eiseres zich toen in het dossier bevond en verweerder genoeg informatie had over de emotionele kwetsbaarheid van eiseres. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de vrijheidsontnemende maatregel zo spoedig mogelijk na het nader gehoor, uiterlijk op 10 of 11 april, had moeten worden opgeheven.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [1] hoeft verweerder bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim. Verweerder moet tijdens de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afwegen of het asielverzoek zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. [2] Of verweerder die beoordeling voldoende voortvarend heeft verricht, kan slechts terughoudend worden getoetst in deze procedure.
8. In dit geval vond het nader gehoor plaats op 10 april 2026. Verweerder heeft aangegeven dat hij pas naar aanleiding van de correcties en aanvullingen van 11 april 2026 en de daarbij behorende bijlagen heeft geconcludeerd dat het asielverzoek zich niet meer leent voor afdoening in de grensprocedure. De rechtbank ziet in hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht geen reden om aan deze beoordeling te twijfelen. Ook in de medische klachten van eiseres heeft verweerder geen reden hoeven zien om de vrijheidsontnemende maatregel eerder op te heffen. Niet is gebleken dat eiseres voor haar medische klachten niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder daarom niet al voor het nader gehoor de bewaring hoeven opheffen.
9. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder ook na het nader gehoor voldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft de correcties en aanvullingen op het nader gehoor en de bijlagen op 11 april 2026 om 19:41 uur ontvangen. De maatregel van bewaring is de volgende ochtend opgeheven. De rechtbank vindt dat niet onvoldoende voortvarend.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
2.Zie paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.