Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/9422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:19 AwbArt. 2:2 Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022Art. 4.2.1 Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022Art. 4.1.2 Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verlenging bewonersparkeervergunning

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn aanvraag voor verlenging van een bewonersparkeervergunning af te wijzen. De aanvraag werd geweigerd omdat verzoeker niet voldeed aan de geldende voorwaarden, mede vanwege een eerder verleende omgevingsvergunning met vrijstelling van de autoparkeereis.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening, omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de weigering in een acute financiële noodsituatie verkeert. Ook het argument dat de kosten zouden verdubbelen bij het niet verlengen van een tweede parkeervergunning overtuigt niet, omdat dit een afzonderlijk besluit betreft.

Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig. Verzoeker kon de vrijstelling van de autoparkeereis kennen indien hij zijn onderzoeksplicht had vervuld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de verlenging steeds onder voorbehoud van het voldoen aan criteria plaatsvond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de verlenging van de bewonersparkeervergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9422

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: N.C. de Haas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van de aanvraag van verzoeker om een bewonersparkeervergunning. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 23 december 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning. Met het besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit I) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bestreden besluit II hiervoor in de plaats gesteld. [1]
2.1.
Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker woont sinds 14 december 2021 in de sociale huurwoning aan de [adres] (hierna: de woning) en beschikt over een bewonersparkeervergunning waarvan de geldigheid op 1 februari 2026 verloopt. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker om zijn bewonersparkeervergunning te verlengen afgewezen omdat deze niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. [2]
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Ten eerste betoogt hij dat het bestreden besluit II onrechtmatig is. Plotseling wordt zijn bewonersparkeervergunning, waar hij vier jaren onafgebroken over beschikte, niet meer verlengd. Bovendien staat in een brief van verweerder van 7 maart 2024 inzake de verlenging van zijn bewonersparkeervergunning voor dat jaar aangegeven dat indien aan de criteria wordt voldaan, het besluit na betaling van de factuur jaarlijks stilzwijgend wordt verlengd. Nu de omstandigheden in de tussentijd niet zijn gewijzigd, mocht verzoeker hieraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat ook dit jaar zijn bewonersparkeervergunning zou worden verlengd. Verder heeft verweerder verzoeker voorafgaand aan de weigering nooit geïnformeerd over het feit dat hij in de toekomst geen recht meer zou hebben op een bewonersparkeervergunning. Ook uit overige (officiële) documenten kan dit niet worden afgeleid. Tot slot baseert verweerder de weigering van de aanvraag op een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning en een huisnummerbesluit die in het verleden zijn genomen. Verzoeker kon hiervan echter niet op de hoogte zijn omdat hij destijds nog niet in de woning woonde.
Mocht het toch aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Als verzoeker niet kan beschikken over een parkeervergunning, dan moet hij namelijk dagelijks parkeerkosten betalen om zijn auto te kunnen parkeren. Deze kosten lopen op tot ongeveer € 500,- per maand. Dit bedrag zal verdubbelen als ook zijn tweede bewonersparkeervergunning, waarvan de geldigheid op 1 maart 2026 verloopt, niet wordt verlengd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie.
5.1.
Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het vervelend is voor verzoeker om extra parkeerkosten te moeten betalen omdat hij niet meer over een parkeervergunning beschikt, is daarmee nog geen sprake van een acute financiële noodsituatie als in hiervoor bedoelde zin. De stukken die door verzoeker zijn ingediend, maken onvoldoende aannemelijk dat hij hierdoor in de financiële problemen zal geraken. De stelling van verzoeker dat vanaf 1 maart 2026 ook de geldigheid verloopt van zijn tweede bewonersparkeervergunning en hij daardoor nog meer parkeerkosten zal moeten maken, maakt dit oordeel niet anders. Ter beoordeling staat namelijk slechts of verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening die is ingediend tegen het bestreden besluit II. Als verweerder besluit ook de aanvraag van deze tweede bewonersvergunning te weigeren, dan ligt het op de weg van verzoeker om tegen dát besluit een voorlopige voorziening in te stellen zodat dit punt in die procedure aan de orde kan worden gesteld. Bovendien kan verzoeker bij verweerder om een schadevergoeding vragen als het bestreden besluit II na bezwaar of een eventueel beroep geen stand houdt.
Daar komt nog bij dat verzoeker op de zitting desgevraagd heeft aangegeven dat hij de mogelijkheid heeft om zijn auto zo’n 500 meter verderop in een nieuwbouwwijk kan parkeren, alwaar hij geen parkeerkosten verschuldigd is. Ook heeft hij nog wat tegoed over op de bezoekersvergunning van zijn tweede auto die hij kan aanwenden voor het parkeren van de auto waarvoor hij nu geen parkeervergunning meer heeft.
Het bovenstaande in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het spoedeisende belang bij verzoeker ontbreekt.
Evident onrechtmatig besluit
6. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. Zo geeft de regelgeving [3] verweerder de bevoegdheid om een aanvraag om een bewonersparkeervergunning te weigeren als een bewoner woont in een gebouwencomplex waar een vrijstelling van de autoparkeereis is verleend. Vast staat dat er in 2020 een omgevingsvergunning is verleend met daarin een vrijstelling van de autoparkeereis in onder meer de [adres] . Dat betekent dat de vergunningaanvraag van verzoeker niet voldoet aan de geldende voorwaarden. Hoewel de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat verzoeker het afwijzende besluit niet heeft zien aankomen, nu zijn parkeervergunning de afgelopen jaren onder dezelfde omstandigheden wél steeds werd verlengd, was verweerder niet gehouden om deze gemaakte fout te herhalen. Daarbij geldt dat verzoeker op de hoogte had kunnen zijn van de verleende vrijstelling van de autoparkeereis in de [adres] als hij aan de op hem rustende onderzoeksplicht had voldaan. Zo had hij hiernaar nog voor het afsluiten van de huurovereenkomst navraag kunnen doen bij de verhuurder. De gevolgen van het nalaten hiervan komen voor zijn eigen rekening en risico. Voorts had verzoeker uit de brief van verweerder van 7 maart 2024 inzake de verlenging van zijn bewonersparkeervergunning voor dat jaar niet zonder meer mogen afleiden dat zijn bewonersparkeervergunning jaarlijks stilzwijgend zou worden verlengd, nu hierbij uitdrukkelijk het voorbehoud wordt gemaakt dat hij wel aan de geldende criteria moet voldoen. Hiervoor is al vastgesteld dat hiervan geen sprake is. Het beroep van verzoeker op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 6:19, eerste lid, jo. artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de door verzoeker ingestelde voorlopige voorziening mede betrekking op het bestreden besluit II.
2.Op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (hierna: de Verordening) jo. artikel 4.2.1, eerste lid, onder d, van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (hierna: de Regeling).
3.Zie artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening in samenhang met artikel 4.1.2, eerste lid, onder a, en artikel 4.2.1, eerste lid, van de Regeling.