ECLI:NL:RBDHA:2026:9794
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verlenging bewonersparkeervergunning
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn aanvraag voor verlenging van een bewonersparkeervergunning af te wijzen. De aanvraag werd geweigerd omdat verzoeker niet voldeed aan de geldende voorwaarden, mede vanwege een eerder verleende omgevingsvergunning met vrijstelling van de autoparkeereis.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening, omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de weigering in een acute financiële noodsituatie verkeert. Ook het argument dat de kosten zouden verdubbelen bij het niet verlengen van een tweede parkeervergunning overtuigt niet, omdat dit een afzonderlijk besluit betreft.
Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig. Verzoeker kon de vrijstelling van de autoparkeereis kennen indien hij zijn onderzoeksplicht had vervuld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de verlenging steeds onder voorbehoud van het voldoen aan criteria plaatsvond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de verlenging van de bewonersparkeervergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.