ECLI:NL:RBDHA:2026:9795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL25.17516
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 6:20 AwbVluchtelingenverdrag 1951
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somaliër wegens onvoldoende persoonlijk risico op vervolging door Al-Shabaab

Eiser, een Somalische man geboren in 1982, vroeg op 28 december 2022 asiel aan in Nederland. Hij vreesde vervolging door de terroristische organisatie Al-Shabaab vanwege het weigeren van een oproep zich bij hen te melden. Verweerder wees de asielaanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië liep.

De rechtbank oordeelde dat eiser's identiteit en herkomst geloofwaardig waren, evenals zijn verhaal over het incident met Al-Shabaab in Buulo Marer tien jaar geleden. Echter, omdat eiser sindsdien zonder problemen meerdere keren naar Somalië was teruggekeerd en Mogadishu als zijn gebruikelijke verblijfplaats werd aangemerkt, was het risico op persoonlijke vervolging onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Eiser voerde aan dat hij vanwege epilepsie medische problemen heeft en dat hij in Buulo Marer woonde, niet Mogadishu. Ook stelde hij dat Al-Shabaab nog steeds invloed uitoefent en hem persoonlijk zou bedreigen. De rechtbank verwierp deze stellingen, onder meer omdat Mogadishu een miljoenenstad is en Al-Shabaab vooral politieke doelen nastreeft, niet individuele represailles.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd ingetrokken. De rechtbank veroordeelde verweerder wel tot vergoeding van proceskosten wegens de vertraging. Het beroep werd verder ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17516

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Wouters),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: [persoon] en mr. J.O. Isibor).

Inleiding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
In het besluit van 29 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede op dit besluit betrekking.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.O. Isibor.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1982, heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de substam Daarood-Marihan-Wagardhac. Hij heeft op 28 december 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Op 17 januari 2025 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in 2015 in Buulo Marer door twee mannen is aangesproken met de opdracht om zich te melden bij de terroristische organisatie Al-Shabaab, en dat hij daarop via Kenia gevlucht is. Eiser vreest bij terugkeer naar Somalië te worden vermoord door Al-Shabaab omdat hij niet is ingegaan op deze oproep.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab in Buulo Marer geloofwaardig geacht. Volgens verweerder is eiser echter niet aan te merken als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951 en loopt hij bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het incident met Al-Shabaab vond tien jaar geleden plaats buiten eisers woonplaats Mogadishu. Daarna is hij nog twee keer zonder problemen teruggekeerd naar Somalië. Er is weliswaar een laag niveau van willekeurig geweld in Mogadishu, maar eiser heeft niet persoonlijk aannemelijk gemaakt dat hij daarvan slachtoffer zal worden. Verder heeft verweerder aan eiser voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend en daarom aan eiser geen terugkeerplicht opgelegd.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder niet is uitgegaan van het juiste referentiekader. Daarbij stelt hij dat hij vanwege epilepsie blijvende hersenschade en geheugen- en concentratieproblemen heeft. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van Mogadishu als zijn woonplaats, aangezien hij heeft verklaard dat hij zich heeft gevestigd in Buulo Marer na een periode in Saoedi-Arabië te hebben gewoond. Ten slotte voert eiser aan dat hij bij terugkeer wel degelijk te vrezen heeft voor Al-Shabaab. Hij heeft immers een oproep geweigerd en ook speelt een rol dat hij als chauffeur veel kennis heeft van de omgeving, dat hij Arabisch spreekt en dat hij geen netwerk heeft. Volgens eiser volgt Al-Shabaab ook jaren later nog mensen en oefenen zij ook veel invloed uit in gebieden waar de overheid de territoriale controle heeft. Hierbij verwijst eiser naar de ‘Country Guidance: Somalia’ van EUAA van 11 augustus 2023 en naar het stuk ‘Somalië – Infiltratie overheid en gebruik informanten door Al Shabaab in Mogadishu’ van VluchtelingenWerk Nederland van 15 september 2025.
4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Er is voldoende rekening gehouden met eisers epilepsie. Mogadishu is terecht als eisers woonplaats aangemerkt, omdat hij maar kort in Buulo Marer heeft verbleven en niets kan verklaren over de lokale situatie aldaar. Het is niet aannemelijk dat eiser tien jaar later nog gevolgen zal ondervinden van het incident in Buulo Marer.
5. Ter zitting heeft eiser het beroep ingetrokken voor zover dat nog zag op het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Niet in geschil is dat eiser de eerste zeventien jaar van zijn leven in Mogadishu heeft gewoond. Evenmin is in geschil dat hij daarna lange tijd buiten Somalië heeft gewoond en in 2014 weer is teruggekeerd naar Somalië. Wel in geschil is waar eiser in de periode 2014-2015 heeft gewoond. Waar verweerder stelt dat eiser in deze periode slechts zes maanden in Buulo Marer heeft gewoond, stelt eiser dat hij daar het grootste gedeelte van deze periode heeft gewoond. Eiser wijst hierbij op pagina 9 van het rapport van het nader gehoor van 17 januari 2025. De rechtbank ziet niet in hoe dit verschil kan zijn ontstaan uit een onjuiste vaststelling van eisers referentiekader. Daarnaast heeft verweerder eisers asielrelaas geloofwaardig geacht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder zijn referentiekader niet juist heeft vastgesteld.
7. Hoewel eiser niet laatstelijk in Mogadishu heeft gewoond, volgt uit het voorgaande wel dat hij gedurende de periodes dat hij in Somalië woonde veel langer in Mogadishu heeft verbleven dan in Buulo Marer. Om die reden heeft verweerder terecht Mogadishu als eisers woonplaats aangemerkt.
8. Volgens onderdeel C7/30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, de beleidsregels van verweerder, is in Mogadishu sprake van een lager niveau van willekeurig geweld. Dit brengt mee dat eiser persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken om te onderbouwen dat hij slachtoffer zal worden van de veiligheidssituatie. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een hoger geweldsniveau. Wel volgt uit deze landeninformatie dat Al-Shabaab ook in Mogadishu actief is en een uitgebreid inlichtingennetwerk heeft. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat. Hierbij zijn de volgende aspecten van belang. Het incident in Buulo Marer is tien jaar geleden en eiser is sindsdien, zij het kortdurend, meermaals zonder problemen teruggekeerd naar Somalië. Mogadishu is een miljoenenstad. Het is niet aannemelijk dat eiser vanwege een incident van tien jaar geleden, zijn kennis van de omgeving en zijn beheersing van de Arabische taal een doelwit zal worden van Al-Shabaab. Volgens de landeninformatie zet Al- Shabaab het inlichtingennetwerk vooral in om geld te innen en politieke doelen te bestoken, niet voor represailles richting in individuen. Ten slotte heeft verweerder terecht opgemerkt dat niet kan worden gezegd dat eiser in het geheel geen netwerk meer heeft in Somalië. Eisers substam behoort namelijk tot één van de vier grootste stammen van Somalië en eiser heeft verklaard dat zijn schoonfamilie en in ieder geval één vriend in Somalië woont.
9. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
10. Omdat ten tijde van het instellen van het beroep sprake was van niet tijdig beslissen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien deze proceskostenveroordeling uitsluitend is gelegen in het niet tijdig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.