ECLI:NL:RBDHA:2026:980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.60475
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid

De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 december 2025 de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank heeft beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Volgens het bestuursrecht moet een beroepschrift de gronden van het beroep bevatten, waarin duidelijk wordt aangegeven op welke punten men het niet eens is met het bestreden besluit. Eiser heeft echter geen gronden in het beroepschrift vermeld.

De rechtbank heeft eiser op 10 december 2025 verzocht dit te herstellen binnen een week, met de waarschuwing dat bij uitblijven van herstel het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Eiser heeft geen gronden of verzoek om uitstel ingediend en er is geen verschoonbare reden voor het verzuim gebleken.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het bestreden besluit niet inhoudelijk. Het besluit blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter V.A.G. van Dijk en openbaar gemaakt op 22 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60475

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 9 december 2025 de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze beslissing.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.60476. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
2. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [2] Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [3]
Overwegingen
3. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 10 december 2025 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Daarbij is medegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, als dit verzuim niet wordt hersteld. Eiser heeft binnen de gestelde termijn geen gronden of een verzoek om uitstel ingediend. Niet is gebleken van een verschoonbare reden hiervoor.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
3.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.