Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9801

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.19902
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring ondanks langdurige duur en beperkte medewerking

De minister heeft op 15 augustus 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die inmiddels acht maanden duurt. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank heeft eerder vier keer de rechtmatigheid van de bewaring getoetst en concludeerde dat deze tot het sluiten van het vorige onderzoek op 13 maart 2026 rechtmatig was. In deze procedure stond alleen de rechtmatigheid van de bewaring sinds die datum centraal. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was en dat het zicht op uitzetting ontbrak.

De rechtbank stelde vast dat er sinds het vorige onderzoek een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat eiser niet meewerkt aan uitzetting. De minister heeft meerdere malen schriftelijk gerappelleerd en presenteerde eiser schriftelijk aan de Gambiaanse autoriteiten, die momenteel onderzoek doen naar zijn identiteit. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat enige tijd mag worden gegund voor het onderzoek.

Verder concludeerde de rechtbank dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, mede omdat de Gambiaanse autoriteiten nog steeds onderzoek doen en geen weigering tot het verstrekken van een laissez-passer is gebleken. De langdurige bewaring is deels aan de eigen weigering van eiser te wijten. Ook het verzoek om een lichter middel werd afgewezen omdat dit niet volstaat om uitzetting te verzekeren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. van Es).

Inleiding

1. De minister heeft op 15 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet op de rechtbank verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al vier keer eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 maart 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek, op 13 maart 2026, is gebeurd. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 13 maart 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Voortvarendheid
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat zelfs de meest minimale uitzettingshandelingen niet worden verricht. Zo wordt er door de minister alleen schriftelijk op de laissez-passeraanvraag gerappelleerd. Uit de voortgangsrapportage blijkt daarnaast dat eiser op 26 februari 2026 schriftelijk gepresenteerd zou worden. Uit de stukken blijkt echter niet of dit daadwerkelijk is gebeurd en zo ja wat de uitkomst daarvan is. Ook wijst eiser erop dat alle verslagen van de vertrekgesprekken die in 2026 zijn gevoerd ontbreken in het dossier en dat het daardoor voor eiser niet duidelijk is of deze gesprekken daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en wat daarvan de uitkomst is. Gelet op de duur van de bewaring mag van de minister verwacht worden dat hij actief en op dossierniveau aandacht vraagt voor deze zaak.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure een vertrekgesprek met eiser is gevoerd op 30 maart 2026. Uit dit gesprek blijkt dat eiser nog steeds in het geheel niet meewerkt. Daarnaast is op 2 april 2026 schriftelijk gerappelleerd op de laissez-passer aanvraag en stond een presentatie in persoon gepland op 14 april 2026. Eiser heeft voor de tweede keer geweigerd hieraan mee te werken. Gezien de weigerachtige houding van eiser is besloten hem op 14 april 2026 schriftelijk te presenteren aan de Gambiaanse autoriteiten. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er naar aanleiding van de schriftelijke presentatie op dit moment door de Gambiaanse autoriteiten onderzoek wordt gedaan naar de identiteit van eiser. De minister is in afwachting van een reactie. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De minister mag daarbij enige tijd worden gegund om het onderzoek door de Gambiaanse autoriteiten af te wachten. De rechtbank merkt daarbij wel op dat, nu de bewaring inmiddels acht maanden duurt, verwacht mag worden dat binnen afzienbare termijn concrete stappen worden gezet. De rechtbank merkt tot slot op dat de minister alle verslagen van recent gevoerde vertrekgesprekken aan het dossier heeft gevoegd.
Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser stelt dat, gelet op het tijdsverloop sinds de indiening van de laissez-passer aanvraag op 21 augustus 2025 en het uitblijven van een reactie daarop, niet langer aannemelijk is dat uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden gerealiseerd.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia niet ontbreekt. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak op het laatste volgberoep van 17 maart 2026. In die uitspraak is al geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het algemeen en ook specifiek voor eiser niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit moment anders te oordelen. Er is niet gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken en op de zitting is toegelicht dat er op dit moment actief onderzoek wordt gedaan door de Gambiaanse autoriteiten. De rechtbank constateert daarnaast dat eiser nog steeds in het geheel geen medewerking verleent en dat hij ook meermaals heeft verklaard niet mee te willen werken. Eiser heeft de lange duur van de bewaring daarom ook deels aan zichzelf te wijten. Hoewel de bewaring al langere tijd duurt, is dit nog niet zodanig lang dat het zicht op uitzetting om die reden ontbreekt. De rechtbank overweegt tot slot dat het standpunt van eiser dat op 10 december 2025 al bekend was dat hij niet in de Gambiaanse databases voorkomt niet nader is onderbouwd en ook niet volgt uit het dossier.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat, gelet op de duur van de bewaring, inmiddels aanleiding bestaat voor de minister om een lichter middel op te leggen.
6.1.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. In de hieraan voorafgaande periode is ook een verzwaarde belangenafweging gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank geven de door eiser in de onderhavige procedure aangevoerde gronden geen aanleiding om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. De enkele duur van de bewaring is daarvoor op dit moment onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [3]
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummers NL26.11077 en NL26.11626 (ECLI:NL:RBDHA:2026:5713).
3.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).