De minister heeft op 15 augustus 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die inmiddels acht maanden duurt. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank heeft eerder vier keer de rechtmatigheid van de bewaring getoetst en concludeerde dat deze tot het sluiten van het vorige onderzoek op 13 maart 2026 rechtmatig was. In deze procedure stond alleen de rechtmatigheid van de bewaring sinds die datum centraal. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was en dat het zicht op uitzetting ontbrak.
De rechtbank stelde vast dat er sinds het vorige onderzoek een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat eiser niet meewerkt aan uitzetting. De minister heeft meerdere malen schriftelijk gerappelleerd en presenteerde eiser schriftelijk aan de Gambiaanse autoriteiten, die momenteel onderzoek doen naar zijn identiteit. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat enige tijd mag worden gegund voor het onderzoek.
Verder concludeerde de rechtbank dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, mede omdat de Gambiaanse autoriteiten nog steeds onderzoek doen en geen weigering tot het verstrekken van een laissez-passer is gebleken. De langdurige bewaring is deels aan de eigen weigering van eiser te wijten. Ook het verzoek om een lichter middel werd afgewezen omdat dit niet volstaat om uitzetting te verzekeren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.