Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9808

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL25.40291
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag minderjarige uit Somalië wegens ongeloofwaardige herkomstverklaring

Eiser, een minderjarige Somalische asielzoeker, diende op 3 augustus 2023 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in. Verweerder wees deze aanvraag op 31 oktober 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser voerde in beroep aan dat zijn herkomst uit Zuid-Somalië onterecht ongeloofwaardig werd bevonden en dat onvoldoende rekening werd gehouden met het belang van het kind.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van eisers herkomstverklaring. Een taalanalyse van TOELT concludeerde dat het Somalisch van eiser niet overeenkomt met het dialect van het opgegeven herkomstgebied, maar met dat van een andere regio. De rechtbank achtte de analyse zorgvuldig en gemotiveerd, en verwierp de bezwaren van eiser tegen de taalanalyse.

Daarnaast vond de rechtbank dat verweerder terecht tegenwerpingen maakte over inconsistenties in eisers verklaringen, zoals onjuiste afstandsindicaties en ontkenning van zichtbare zendmasten in zijn dorp. Ook achtte de rechtbank het belang van het kind voldoende gewaarborgd, omdat terugkeer naar Somalië hereniging met ouders mogelijk maakt en eiser geen bijzondere kwetsbaarheden heeft.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardige herkomstverklaring en voldoende belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40291

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

([gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 3 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, L. Sharif-Hashem als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2008. Eiser heeft verklaard dat zijn korandocent hem heeft verteld dat hij zich moest aansluiten bij Al Shabaab. Eiser heeft dit geweigerd. Al Shabaab leden hebben hem vervolgens meegenomen naar hun locatie. Daar werd eiser mishandeld en moest hij lezingen bijwonen. Uiteindelijk heeft eiser geaccepteerd om zich aan te sluiten bij Al Shabaab. Hij mocht daarna terug naar huis en zou een week later worden opgehaald om een training te volgen. Eiser is daarop vertrokken naar [plaats 1]. Na ongeveer twee weken heeft hij het land verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers problemen met Al Shabaab.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit en nationaliteit geloofwaardig. Verweerder vindt eisers herkomst niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [2] Verweerder vindt eisers problemen met Al Shabaab ook niet geloofwaardig, omdat hij deze zou hebben ondervonden in [plaats 2], [regio 1] en het niet geloofwaardig is dat eiser daar vandaan komt. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Verweerder vindt tot slot dat eiser op dit moment niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuld beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV), omdat Dienst Terugkeer &Vertrek (DT&V) het onderzoek naar adequate opvang in Somalië nog niet heeft afgerond. Eiser heeft rechtmatig verblijf gedurende het onderzoek en tot aan het besluit op de AMV-buitenschuld zaak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat zijn herkomst ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, omdat hij met zijn verklaringen en antwoorden op de omgevingsvragen over [plaats 2] wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij uit dat dorp afkomstig is. De stelling van verweerder dat eiser de juiste antwoorden op de vragen wist, omdat hij deze had kunnen opzoeken in openbare bronnen is onvoldoende gemotiveerd. Deze bronnen zijn namelijk niet te vinden, en dan had hij ook geweten dat er zendmasten staan in het dorp. Eiser voert verder aan dat verweerder het rapport van de taalanalyse van TOELT niet als uitgangspunt had kunnen nemen voor de beoordeling van eisers herkomst. Er zijn namelijk concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de taalanalyse. Eiser heeft bovendien geen contra-expertise laten uitvoeren, omdat uit die analyse ook zou blijken dat hij een [regio 2] accent heeft. Tot slot stelt eiser dat de belangen van het kind zoals neergelegd in artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) met een terugkeer naar Somalië niet worden gewaarborgd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder eisers herkomst ongeloofwaardig vinden?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers herkomst uit [plaats 2], [regio 1] ongeloofwaardig mogen vinden en overweegt hiertoe als volgt.
6.1. Verweerder heeft op 23 september 2024 een taalanalyse laten uitvoeren door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), omdat er twijfel bestond over eisers herkomst. Uit het rapport van de taalanalyse van 22 oktober 2024 blijkt dat het Somalisch van eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen [regio 1], maar volledig overeenkomt met het Somalisch zoals dat gangbaar is in [regio 2] (Somaliland). In het rapport zijn ook voorbeelden genoemd waarop deze conclusie is gebaseerd. TOELT heeft geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat eiser langere tijd in het gestelde herkomstgebied heeft verbleven. In reactie op eisers zienswijze van 23 oktober 2025 heeft TOELT op 30 oktober 2025 een weerwoord uitgebracht. In dit weerwoord is door een linguïst verbonden aan TOELT gereageerd op een aantal kanttekeningen die in de zienswijze zijn geplaatst bij het rapport van de taalanalyse.
6.2. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [4] volgt dat verweerder in het algemeen mag uitgaan van de juistheid van een door TOELT verrichte taalanalyse. Als verweerder een taalanalyse ten grondslag legt aan zijn besluitvorming, moet hij zich er wel van vergewissen dat deze analyse zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De vreemdeling heeft de mogelijkheid om door middel van een contra-expertise zijn gestelde herkomst alsnog aannemelijk te maken.
6.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de taalanalyse. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het rapport op objectieve wijze is opgesteld door een taalanalist die afkomstig is uit [regio 1] en het Somalisch als moedertaal heeft. De rechtbank overweegt verder dat de kritische kanttekeningen die eiser in de zienswijze heeft geplaatst bij de taalanalyse afdoende zijn weerlegd door een linguïst in het weerwoord van TOELT. Zo is er ingegaan op eisers betoog dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen van de taalanalist doordat enerzijds is gesteld dat het Somalisch van eiser in geen enkel opzicht overeenkomt met een [regio 1] dialect zoals gangbaar in het gestelde herkomstgebied in [regio 1], en anderzijds dat eiser sporadisch een aantal woorden uit het [regio 1] mengt in zijn spraak. De linguïst heeft in zijn weerwoord deugdelijk gemotiveerd dat het sporadisch op niet authentieke wijze gebruiken van woorden die te herleiden zijn tot het gestelde herkomstgebied [plaats 2], maar die ook buiten dit gebied bekend zijn als “typisch” voor deze regio, niet kan leiden tot een andere conclusie ten aanzien van de spraak van eiser. De spraak van eiser is namelijk overwegend niet zuidelijk. Eiser spreekt derhalve niet de taalvariant die gangbaar is in diens gestelde herkomstomgeving, ondanks het sporadisch gebruiken van enkele bekende “[regio 1]” woorden. Ook is in het weerwoord ingegaan op eisers betoog dat het logisch is dat hij een [regio 2] accent heeft, omdat zijn moeder afkomstig is uit [regio 2]. De linguïst heeft duidelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat iemand vanaf zijn geboorte gedurende de eerste veertien jaar van zijn of haar leven uitsluitend contact heeft met zijn moeder, die een ander dialect spreekt dan het ter plaatse gangbare, en niet de spraak overneemt van de andere personen in zijn of haar directe omgeving die het lokale dialect wel spreken, met name leeftijdsgenoten. Nu eiser heeft verklaard dat hij vanaf 2008 tot en met 2022 onafgebroken in [plaats 2] heeft verbleven, kan redelijkerwijs van hem verwacht worden te beschikken over goede, actieve beheersing van het plaatselijke dialect.
6.4.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het rapport Taalanalyse van TOELT aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers herkomst ten grondslag mocht leggen. Eiser heeft ook geen contra-expertise overgelegd die de inhoud van het rapport weerspreekt.
6.5.
Verder heeft verweerder in de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers herkomst kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over zijn herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat er geen hoge gebouwen, bouwwerken of zendmasten in [plaats 2] zijn, terwijl uit openbare bronnen volgt dat er vier zendmasten in het dorp staan. Dit is ter zitting ook vastgesteld. Eisers betoog dat uit zijn antwoord is af te leiden dat hij dacht dat de vraag alleen over hoge gebouwen ging, volgt de rechtbank niet. Aan eiser is zowel tijdens het aanmeldgehoor als tijdens het nader gehoor gevraagd of er in zijn woonplaats (hoge) gebouwen staan. [5] Hierbij is ook expliciet vermeld dat te denken valt aan masten. Eiser heeft hier echter ontkennend op geantwoord. Daar komt bij dat als wel gevolgd wordt dat er enkel is gevraagd naar hoge gebouwen, alsnog van eiser verwacht had mogen worden dat hij de vier zendmasten noemt nu [plaats 2] een relatief klein dorp is waar dergelijke masten opvallen. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat de afstand van [plaats 2] naar [plaats 1] 40 of 50 minuten rijden is, terwijl het een uur en 40 minuten rijden is. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien dat eisers antwoord dermate afwijkt van de werkelijke afstand, nu hij deze afstand vlak voor zijn vertrek uit Somalië heeft afgelegd. Dat eiser niet eerder in [plaats 1] zou zijn geweest en de reis in de avond heeft gemaakt, maakt het voorgaande niet anders.
6.6.
Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de tegenwerping van verweerder dat uit openbare bronnen volgt dat het 27 kilometer rijden is naar [plaats 3] in plaats van 40 kilometer niet langer wordt tegengeworpen. Nu de overige tegenwerpingen overeind blijven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers herkomst ongeloofwaardig heeft mogen vinden.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het belang van het kind?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat terugkeer naar Somalië in eisers belang wordt geacht en daarmee in het belang van het kind zoals verwoord in artikel 3 van Pro het IVRK. Zo heeft verweerder overwogen dat terugkeer naar Somalië in eisers belang is, omdat hij dan snel herenigd kan worden met zijn ouders. Eisers stelling dat hij geen contact meer heeft met zijn ouders, omdat hij de telefoonnummers niet meer heeft acht de rechtbank niet aannemelijk. Er zijn immers ook andere manieren om contact te zoeken. Bovendien heeft eiser niet aangetoond dat hij pogingen heeft ondernomen om weer in contact te komen met zijn ouders. Verweerder heeft verder overwogen dat terugkeer naar Somalië in eisers belang is omdat hij de taal spreekt, daar is opgegroeid, hij geen wezenlijke banden heeft opgebouwd met Nederland, niet is gebleken van bijzondere kwetsbaarheid dan wel ernstige fysieke of mentale problemen en niet is gebleken dat hij zijn studie niet kan afmaken in Somalië. Eisers stelling dat het niet in zijn belang is om ruim twee jaar na het indienen van zijn asielverzoek terug te moeten keren naar Somalië, omdat hij geïntegreerd is in Nederland, volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft weliswaar ter zitting gehoord dat eiser goed Nederlands spreekt en hij hier naar school gaat, maar dit weegt niet op tegen het belang om terug te keren naar Somalië.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000.
3.Achtereenvolgens: het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1921.
5.Aanmeldgehoor van 10 februari 2024, p. 5 en nader gehoor van 23 september 2024, p. 5.