Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9811

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.21107
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 59b, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 8 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was gebaseerd op zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit.

Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden voor bewaring niet betwistte en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende waren om de maatregel te dragen. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelde, mede omdat hij beroep had ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

De rechtbank oordeelde dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring en dat de minister niet verplicht is voortvarende handelingen te verrichten die de uitzetting bespoedigen. De minister had bovendien een vertrekgesprek gevoerd en de bewaring was verlengd. De rechtbank zag geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en wees ook het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. Ook de rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn, samen met de toelichting daarbij terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en ook voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen, omdat daaruit een risico voortvloeit op onttrekking aan het toezicht.
3. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser heeft namelijk een asielzaak lopen. Nadat zijn asielaanvraag is afgewezen op 19 april 2026, heeft eiser beroep ingesteld tegen dat besluit en tevens gevraagd om een voorlopige voorziening. Dat komt echter niet terug in de overwegingen van de minister.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank stelt voorop dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 6 juni 2016 [1] heeft overwogen, voor een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 zicht op uitzetting geen voorwaarde is. Daaruit volgt dat de minister bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. Hierbij komt dat de minister op de zitting heeft verklaard dat eiser inderdaad op 20 april 2026 een beroep en een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag van 19 april 2026. De minister heeft aangegeven dat dit geen gevolg zal hebben voor de bewaring, omdat, gelet op artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 de bewaring met drie maanden is verlengd. De gemachtigde heeft dit op de zitting niet betwist. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de minister op 20 maart 2026 een vertrekgesprek heeft gehouden met eiser. Verder blijkt uit dat gesprek dat eiser zelf niets heeft ondernomen met betrekking tot terugkeer naar Marokko. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend handelt dan wel onvoldoende de informatie heeft betrokken dat is beslist op de asielaanvraag van eiser en dat daarna beroep is ingesteld en een voorlopige voorziening is gevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).