Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om gedurende de behandeling van haar beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag niet te worden uitgezet. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 16 januari 2026 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van verzoekster als die van de minister aanwezig waren.
Op 23 april 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster gegrond verklaard, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening is komen te vervallen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.