Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/09/683762 / HA ZA 25-334
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling finale kwijting en reikwijdte leningsovereenkomst in samenwerkingsovereenkomst

Kiwa N.V. vordert betaling van een lening van Triple A Investments B.V. uit hoofde van een leningsovereenkomst die voortvloeit uit een eerdere aandelenoverdracht. Triple A beroept zich op een in januari 2021 gesloten overeenkomst waarin partijen elkaar finale kwijting verlenen, waaronder ook de afwikkeling van onderlinge financiële schuldverhoudingen.

De rechtbank onderzoekt of deze kwijting ook de vorderingen uit de leningsovereenkomst omvat. De tekst van de kwijtingsovereenkomst wijst op een brede kwijting van bestaande financiële schuldverhoudingen, zonder beperking tot alleen de managementovereenkomst en earn-out regeling. De rechtbank concludeert dat de leningsovereenkomst daar ook onder valt.

Kiwa betoogt dat de kwijting beperkt was, maar de rechtbank acht dit onvoldoende onderbouwd en wijst op de professionele context en correspondentie waaruit blijkt dat Triple A een brede kwijting nastreefde. De rechtbank staat Kiwa toe bewijs te leveren om het voorshands oordeel te weerleggen en houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt voorshands dat de finale kwijting ook de leningsovereenkomst omvat, maar staat Kiwa toe bewijs te leveren tegen dit oordeel.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/683762 / HA ZA 25-334
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
KIWA N.V.te Rijswijk,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,
tegen
TRIPLE A INVESTMENTS B.V.te Overveen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. A. de Wijs.
Partijen worden hierna Kiwa en Triple A genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 december 2024 met 14 producties plus beslagstukken;
- de conclusie van antwoord, tevens incidentele conclusie van eis en conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie, tevens verzoek oproeping ex art. 118 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met 22 producties;
- de akte tot referte in het incident;
- het vonnis in incident van de rechtbank Noord-Holland van 2 april 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens reactie op het verzoek oproeping ex art. 118 Rv Pro;
- het vonnis in incident van 1 oktober 2025 inzake het verzoek oproeping ex art. 118 Rv Pro;
- het tussenvonnis van 3 december 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aan de zijde van Kiwa overgelegde producties 15 – 20;
- de door Triple A bij B-formulier overgelegde vaststellingsovereenkomst tussen partijen en aan hen gelieerde partijen/personen, waaruit de rechtbank begrijpt dat Triple A haar verzoek tot oproeping ex art. 118 Rv Pro intrekt.
1.2.
Op 16 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren partijen vertegenwoordigd, bijgestaan door de advocaten voornoemd. Van wat ter mondelinge behandeling is besproken zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Aansluitend aan de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Kiwa is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met certificering en onderzoek. Triple A houdt zich onder meer bezig met holding- en managementdiensten. Enig aandeelhouder en -bestuurder van Triple A is [naam 1] .
2.2.
Eind 2018 heeft een rechtsvoorgangster van Triple A, Hyperion Investments B.V. (hierna: Hyperion) [1] , de aandelen verkregen in Hobéon Groep B.V. (hierna: Hobéon). [2] Bij en ten behoeve van die verkrijging is een schuld van € 812.000,00 ontstaan van Hyperion aan Hobéon.
2.3.
Bij een op 26 april 2019 gedateerde
share purchase agreement(hierna: de koopovereenkomst) heeft Kiwa de aandelen in Hobéon gekocht (en vervolgens geleverd gekregen) van Hyperion. In de koopovereenkomst is onder meer als volgt opgenomen:
Settlement of indebtedness and Guarantees
5.1
The Seller[Hyperion, Rechtbank]
shall procure that on or before Completion, without payment of interest or penalties:
(a)
except for the current outstanding debt owed by the Seller to the Company[Hobéon, rechtbank]
in the amount of EUR 812,000, which debt as of Completion shall be owed by the Seller to the Company in accordance with the loan agreement attached hereto asAppendix 8 (the Loan Agreement), all indebtedness due from the Seller or any person connected with the Seller to each Group Company[Hobéon en haar dochtervennootschappen, rechtbank]
is satisfied in full (…).”
2.4.
In de hiervoor genoemde
Loan Agreement, die ook is gedateerd op 26 april 2019 (hierna: de Loan Agreement), is onder meer het volgende opgenomen:
“WHEREAS:
(…)
A.
(…)
B.
B. Borrower[Hyperion, rechtbank]
currently owes to the Lender[Hobéon, rechtbank]
an amount of EUR 812,000 pursuant to the assignment of shareholder loans granted to the previous shareholders (theLoan). It is the intention of the Parties that the Loan (together with accrued interest with respect thereto and any other amount outstanding under this Agreement) will be repaid by way of set-off (verrekening
) with the payment obligation of Kiwa in respect of Earn Out Part I (as defined in the SPA). Only if and when it is established between Kiwa and the Borrower that the Earn-Out Part I is not sufficient to repay the Loan in accordance with this Agreement, the Loan shall be repaid in accordance with clause 3, without prejudice to the other provisions of this Agreement;
(…)

3.TERM AND REPAYMENT

The Borrower shall repay the Loan (together with accrued interest with respect thereto) to the Lender no later than 12 months falling after the date of this Agreement (theFinal Repayment Date).

4.INTEREST

4.1
Interest shall accrue yearly in arrears on the amount of the Loan from time to time outstanding, at the annual rate of 4% per annum (theInterest) (…).
(…)
4.3
In the event of default by the Borrower in the payment of any sum whatsoever due to the Lender under this Agreement (including Interest) the Borrower shall pay interest on that sum from the due date until payment at a rate of 2 % per annum in excess of the interest rate applied under this Agreement over that sum for so long as that sum remains unpaid. (…)
(…)

5.EVENTS OF DEFAULT

In the event:
(a)
the Borrower fails to pay any material sum when due under this Agreement (…) and (if in the opinion of the Lender capable of remedy) the continuation of that default remains unremedied for a period of 5 business days;
(…)
(each anEvent of Default) then, the Lender may by giving the Borrower written notice, terminate the obligations of the Lender hereunder and/or demand immediate payment of the full amount of the Loan and any and all interest accrued thereon but not yet paid and the Borrower shall immediately comply with such demand.”
2.5.
De in de Loan Agreement genoemde
earn out-regeling (uit de koopovereenkomst) heeft niet geleid tot enige verrekening met de openstaande lening. Ook heeft Hyperion/Triple A geen betalingen gedaan uit hoofde van de Loan Agreement.
2.6.
Door Kiwa is medio december 2020 [3] een brief aan Triple A gestuurd met daarin een voorstel voor (grotendeels) beëindiging van de samenwerking. Hierin is onder meer als volgt opgenomen:
“Zoals mondeling overeengekomen op 24 december jl. bevestigen wij met deze brief de beëindiging van de overeenkomst van opdracht (Managementovereenkomst) van 19 maart 2019 per 31 december 2020.
(…)
Ten aanzien van enkele formele zaken en om misverstanden te voorkomen: de overeengekomen geheimhoudingsbepalingen blijven ook na beëindiging van de overeenkomst in stand. Tevens is het MTC dan wel [naam 1] , nu en in de toekomst, niet toegestaan Kiwa te binden in welke vorm dan ook, zonder dat daarover vooraf schriftelijke afspraken zijn gemaakt door partijen.
In aanvulling op het voorgaande bevestigen partijen (Kiwa N.V., MTC, Hyperion Investments B.V. en [naam 1] ) dat de afspraken omtrent de Earn-out regeling (…), hiermee eveneens zijn afgewikkeld.
Partijen verklaren derhalve over en weer op deze onderwerpen (Management Overeenkomst van opdracht en Earn-out regeling) niets meer van elkaar te vorderen te hebben.”
2.7.
Vervolgens heeft [naam 1] op 24 december 2020 (14:38 uur) per e-mail een aanpassing van de tekst voorgesteld. Hierop is diezelfde dag om 15:05 uur door [naam 2] van Kiwa gereageerd, waarbij twee opmerkingen in de tekst van [naam 1] zijn geplaatst. Het tekstvoorstel van [naam 1] , inclusief opmerkingen van [naam 2] (door de rechtbank onderstreept) bevat onder meer als volgt:
“Zou je de brief willen aanpassen en alinea’s 2 en 3 willen vervangen door onderstaande tekst.
In aanvulling op het voorgaande bevestigen partijen (Kiwa N.V., Hobéon Groep B.V., MTC, Hyperion Investments B.V., welke vennootschap door juridische fusie is opgegaan in Triple A Investments B.V. en [naam 1] ) dat alle afspraken waaronder de Earn-out regeling, management contract etc. ende onderlinge financiële verhoudingen(NB: deze gaat heel ver; zie ook punt hieronder. De hele SPA tav Hobeon valt hier dan ook onder en die hebben we niet besproken; slechts de earn-out en management overeenkomst zijn nader afgestemd. Zit je ergens mee?). tussen genoemde partijen hiermee eveneens zijn afgewikkeld.
Partijen verklaren derhalve over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar finale kwijting.Dat kan alleen maar voor deze 2 punten gelden want de rest van de SPA blijft bestaan (zoals enkele warranties en indemnities). Voor de goede orde: mij is niets bekend dat niet goed zou zijn of tot aanspraken zou leiden
(…)”
2.8.
In een interne e-mail van 24 december 2020 schrijft [naam 2] hierover:
“Het document is nog tweemaal heen en weer gegaan en het gesprek gaat nu over de rode lettertjes (‘op deze items’) waartoe ik de kwijting zou willen beperken terwijl [naam 1] graag voor hetheleHobéon koopcontract kwijting wil. (…)”
2.9.
Op 14 januari 2021 heeft [naam 1] [naam 2] opnieuw gemaild. In dat bericht staat onder meer:
“Dank voor de bespreking van afgelopen maandag waarin we onder andere de continuïteit van Competence Connect besproken hebben, de bijbehorende app en het verzoek van [naam 3] om alle Hobeon en E-Hobeon gerelateerde zaken in 2020 af te boeken. Zo vroeg hij ook om mijn contract te beëindigen, waarna onze briefwisseling dienaangaande net niet op de laatste dag voor Kerst rond kwam.
Zoals maandag afgesproken, heb ik mijn financiële adviseur [naam 4] gevraagd een versie te schrijven dat erop toeziet dat het bovenstaande ook echt afgewikkeld wordt. Zie bijgaand. Het is jammer dat onze formele relatie daarmee wordt beëindigd. (…)
(…)
Als ik de partner gevonden heb, kom ik hier graag bij je op terug. Inmiddels vind ik het prima als jij alle kosten in 2020 wil afboeken en afspraken wil beëindigen. We hebben dan, zoals je zei, niets meer van elkaar te vorderen. Ik noemde dat in mijn schrijven voor de Kerst “Finale kwijting Hobeon / E-Hobeon / Competence Connect etc”. [naam 4] heeft dit in zijn schrijven wat preciezer omschreven. (…)”
2.10.
[naam 2] heeft bij e-mail van 15 januari 2021 als volgt geantwoord:
“Heldere uiteenzetting hieronder waar ik ook wel een aantal zaken in herken. En soms zucht je maar hoe dingen lopen…
Bijgaand een heel licht aangepaste brief en reeds op Kiwa-papier gezet. Zie de track changes. Indien akkoord, zal ik de lay-out (…) helemaal in orde laten maken, vervolgens ondertekenen en aan jou sturen voor contra-signering. Okay?”
2.11.
De, met track changes, aangepaste brief luidt onder meer als volgt (track changes onderstreept of doorgehaald):
“Ten aanzien van enkele formele zaken en ter voorkoming van misverstanden nu en in de toekomst:

Partijen, bestaande uit Kiwa N.V., Hobéon Groep B.V., MTC, Hyperion Investments B.V., welke vennootschap door juridische fusie is opgegaan in Triple A Investments B.V. en [naam 1] , komen overeen dat per genoemde datum de Earn-out regeling(en)(Bijlage 2 uit de koopovereenkomst d.d. 26 april 2019).enhet management contract tussen MTC Amsterdam B.V. en Kiwa N.V. komen te vervallen endedat bestaande onderlinge financiële schuldverhoudingen tussen genoemde partijen hiermee eveneens zijn afgewikkeld en kwijtgescholden. Partijen verlenen elkaar op dit punt finale kwijting.

De overeengekomen geheimhoudingsbepalingen blijven ook na beëindiging van de overeenkomst(en) in stand. Tevens is het MTC dan wel [naam 1] , nu en in de toekomst niet toegestaan om Kiwa te binden in welke vorm dan ook, zonder dat daar vooraf schriftelijke afspraken over gemaakt te hebben.

De afgegeven garantiesen overige bepalingen,uit hoofde van de koopovereenkomst d.d. 26 april 2019 betreffende de koop van Hobéon Groep B.V., blijven onverminderd van kracht.
(…)”
2.12.
Op 18 januari 2021 heeft [naam 2] aan [naam 1] een getekend exemplaar van de brief gestuurd. Diezelfde dag heeft [naam 1] een eveneens getekend exemplaar weer geretourneerd. Het ondertekende document gedateerd 18 januari 2021 en is gelijkluidend aan de hiervoor weergegeven versie, met de voorgestelde wijzingen geaccepteerd. Voor zover van belang luidt de definitieve tekst als volgt:
“Ten aanzien van enkele formele zaken en ter voorkoming van misverstanden nu en in de toekomst:

Partijen, bestaande uit Kiwa N.V., Hobéon Groep B.V., MTC, Hyperion Investments B.V., welke vennootschap door juridische fusie is opgegaan in Triple A Investments B.V. en [naam 1] , komen overeen dat per genoemde datum de Earn-out regeling(en) (Bijlage 2 uit de koopovereenkomst d.d. 26 april 2019) en het management contract tussen MTC Amsterdam B.V. en Kiwa N.V. komen te vervallen en dat bestaande onderlinge financiële schuldverhoudingen tussen genoemde partijen hiermee eveneens zijn afgewikkeld en kwijtgescholden. Partijen verlenen elkaar op dit punt finale kwijting.

De overeengekomen geheimhoudingsbepalingen blijven ook na beëindiging van de overeenkomst(en) in stand. Tevens is het MTC dan wel [naam 1] , nu en in de toekomst niet toegestaan om Kiwa te binden in welke vorm dan ook, zonder dat daar vooraf schriftelijke afspraken over gemaakt te hebben.

De afgegeven garanties en overige bepalingen uit hoofde van de koopovereenkomst d.d. 26 april 2019 betreffende de koop van Hobéon Groep B.V., blijven onverminderd van kracht.
(…)”
2.13.
Op 25 mei 2022 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. In die bespreking is namens Kiwa aanspraak gemaakt op de openstaande vordering uit hoofde van de Loan Agreement. Triple A heeft zich daarop beroepen op de tussen partijen, in voornoemde brief van 18 januari 2021 neergelegde, afspraken (hierna: de 2021-afspraken), die volgens haar ook een kwijting ten aanzien van de (in de Loan Agreement vastgelegde) lening betrof.
2.14.
Vanwege het meningsverschil tussen partijen hebben zij gezamenlijk een advocaat, mr. Nass, gevraagd een onafhankelijke, niet-bindende beoordeling te geven van het geschil. Mr. Nass is in diens niet-bindende advies tot het oordeel gekomen dat de kwijting enkel betrekking heeft op de financiële schuldverhoudingen uit hoofde van de managementovereenkomst en de earn-out regeling, en niet op de vorderingen uit hoofde van de Loan Agreement.
2.15.
Hobéon en Kiwa hebben eind 2024 een ‘Overeenkomst van Lastgeving’ gesloten op grond waarvan Kiwa, onder meer, de bevoegdheid heeft om in eigen naam namens Hobéon een gerechtelijke procedure te starten tegen Triple A inzake nakoming van de Loan Agreement. Kiwa heeft ten laste van Triple A conservatoir beslag laten leggen. In een op 2 maart 2026 gedateerde verklaring heeft Hobéon bevestigd dat de lastgeving mede de bevoegdheid schept om bedoeld beslag te leggen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Kiwa vordert – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Triple A tot betaling van:
I. het verschuldigde op basis van de Loan Agreement, tot en met 26 april 2024 begroot op € 1.100.911,63;
II. de beslagkosten;
III. de proceskosten.
3.2.
Triple A voert verweer. Triple A concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Kiwa, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Kiwa, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Kiwa in de kosten van deze procedure.
in voorwaardelijke reconventie
3.3.
Triple A heeft een vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat in conventie wordt geoordeeld dat de 2021-afspraken niet in de weg staan aan toewijzing van de vorderingen in conventie. Zij vordert – samengevat – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • i)
  • ii)
  • iii) (ingetrokken)
  • iv) Kiwa veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
Kiwa concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Triple A, met veroordeling van Triple A in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het geschil in conventie komt in de kern neer op de vraag of de in de 2021-afspraken opgenomen finale kwijting ook ziet op de – in elk geval tot het moment van het overeenkomen van de 2021-afspraken door Triple A aan Hobéon verschuldigde – vorderingen uit de Loan Agreement.
Uitgangspunten
4.2.
De rechtbank neemt bij de beoordeling van het geschil het volgende als uitgangspunt.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat Triple A, de 2021-afspraken weggedacht, een bedrag aan Hobéon verschuldigd is uit hoofde van een lening die, bij de verwerving van Hobéon door Kiwa, is vastgelegd in de Loan Agreement. De hoogte van de nog openstaande hoofdsom van die lening, € 812.000,00 (de gestelde kwijting weggedacht) is evenmin in geschil. Omdat Triple A als zodanig de verschuldigdheid van de hoofdsom niet betwist, maar zich op de finale kwijting uit de 2021-afspraken beroept, rust op haar de stelplicht en de bewijslast dat die kwijting ook de vorderingen uit de Loan Agreement omvat.
4.4.
De rechtbank neemt verder tot uitgangspunt dat Kiwa betaling vordert van de hoofdsom plus contractuele rente tot en met 26 april 2024, volgens haar € 1.100.911,63. Weliswaar vordert zij “het verschuldigde op basis van de Loan Agreement” (per 26 april 2024 begroot op € 1.100.911,63), maar toewijzing van die vordering zou niet leiden tot een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, omdat daaruit niet eenduidig kan worden afgeleid tot welk bedrag Triple A is veroordeeld. Ter zitting heeft Kiwa toegelicht dat zij beoogd heeft te vorderen de hoofdsom te vermeerderen met de contractuele rente tot aan de dag van algehele voldoening, maar dat staat niet in haar vordering. Triple A heeft ter zitting aangeven dat zij is uitgegaan van (maximaal) het in de vordering genoemde bedrag van € 1.100.911,63. De rechtbank begrijpt de vordering daarom aldus dat Kiwa betaling vordert van de hoofdsom plus de contractuele rente tot en met 26 april 2024. Hoewel Triple A de verschuldigdheid van de contractuele rente betwist, heeft zij niet betwist dat die rente tot en met 26 april 2024 leidt tot voornoemd bedrag.
Zien de 2021-afspraken ook op de Loan Agreement?
4.5.
Partijen twisten over de vraag of de (betalingsverplichting voortvloeiende uit de) Loan Agreement wel of niet valt onder de finale kwijting uit de 2021-afspraken. Kort gezegd betoogt Kiwa dat het haar bedoeling was om een beperkte kwijting overeen te komen, die alleen zag op de managementovereenkomst en de daaraan gekoppelde earn-out regeling. Volgens Kiwa moest dat ook duidelijk zijn voor Triple A. Triple A daarentegen betoogt dat het juist haar bedoeling was dat de lening, als vastgelegd in de Loan Agreement, wel onder de kwijting viel. Zij voert aan dat kwijting voor het uitstaande leenbedrag voor haar voorwaarde was om in te stemmen met beëindiging van de managementovereenkomst en de earn-out regeling. Dat had volgens haar juist voor Kiwa ook duidelijk moeten zijn.
4.6.
In het licht van het voorgaande dient de rechtbank de 2021-afspraken uit te leggen. Daarbij komt het allereerst aan op een gemeenschappelijke partijbedoeling, als die kan worden vastgesteld. De standpunten van partijen over hun eigen bedoelingen staan diametraal tegenover elkaar. Daarbij hebben zij, aan de hand van overgelegde correspondentie uit de aanloop naar de 2021-afspraken, wel onderbouwd wat hun eigen bedoeling was en in hoeverre de ander dat had moeten begrijpen, maar niet onderbouwd dat de ander ook die bedoeling had. Bij die stand van zaken kan geen gemeenschappelijke partijbedoeling worden vastgesteld. Het komt dan aan op uitleg van de afspraak overeenkomstig de ‘Haviltex’-maatstaf.
4.7.
Bij uitleg overeenkomstig de ‘Haviltex’-maatstaf komt het niet alleen aan op de tekst van de overeenkomst maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen.
4.8.
Hoewel de tekst van de uit te leggen overeenkomst, de 2021-afspraken, dus niet zonder meer doorslaggevend is, kan zij wel een belangrijke rol spelen. In dit geval hecht de rechtbank relatief veel waarde aan de tekst van de overeenkomst. Daarbij acht zij van belang dat het gaat om professionele partijen, dat partijen hun eerdere afspraken (de overname) ook (nauwkeurig) schriftelijk hebben vastgelegd, dat in elk geval van de zijde van Kiwa een jurist betrokken was en dat partijen meerdere versies van de beoogde tekst hebben uitgewisseld en daarbij aanpassingsvoorstellen op detailniveau hebben gedaan. De rechtbank zal daarom de 2021-afspraken eerst aan de hand van de tekst uitleggen en daarna beoordelen of in de overige door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden aanleiding is om van die uitleg af te wijken.
Tekstuele uitleg van de 2021-afspraken
4.9.
De 2021-afspraken zijn neergelegd in de brief van 18 januari 2021 die door of namens alle betrokken partijen is ondertekend. De kern van wat is overeengekomen is opgenomen onder de drie bullets (zie hiervoor onder 2.12). De tweede bullet van deze drie ziet op geheimhoudingsbepalingen en vertegenwoordigingsbevoegdheid en is daarom voor de hier voorliggende beoordeling niet relevant.
4.10.
Onder de eerste bullet staan de partijen bij de overeenkomst genoemd en de afspraak dat de managementovereenkomst en de earn-out regeling komen te vervallen. Vervolgens wordt genoemd dat ‘
bestaande financiële schuldverhoudingentussen genoemde partijenhiermee eveneens zijn afgewikkeld en kwijtgescholden’(onderstreping rechtbank) en dat partijen elkaar op dat punt finale kwijting verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een puur tekstuele uitleg van die bullet met zich dat ook kwijtschelding/kwijting is verleend ten aanzien van de Loan Agreement nu dat een bestaande financiële schuldverhouding tussen (twee van) genoemde partijen betrof. Uit de tekst onder deze bullet kan niet worden afgeleid dat de kwijtschelding en kwijting beperkt waren tot de financiële schuldverhoudingen ten aanzien van enkel de managementovereenkomst en de earn-out regeling, zoals door Kiwa betoogd. Het zinsdeel dat ziet op de kwijtschelding bevat immers geen verwijzing daartoe (bijvoorbeeld: ‘en de
ten aanzien van die overeenkomstenbestaande financiële schuldverhoudingen’) en juist wel een bredere verwijzing: het gaat om de bestaande financiële schuldverhoudingen
tussen partijen.
4.11.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de vordering uit hoofde van de Loan Agreement op grond van de onder de derde bullet opgenomen
carve outtoch niet onder de kwijtschelding valt. Volgens Kiwa is dat zo omdat op grond van de onder die bullet opgenomen tekst niet alleen de in de koopovereenkomst opgenomen garanties van kracht blijven, maar ook ‘de overige bepalingen uit hoofde van de koopovereenkomst’. Kiwa betoogt dat de (vordering uit de) Loan Agreement moet worden begrepen als een ‘overige bepaling’ uit de koopovereenkomst en verwijst in dat kader naar artikel 5.1 onder (a) daarvan. Triple A heeft een en ander betwist.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat met de bepaling dat ‘de overige bepalingen uit hoofde van de koopovereenkomst’ van kracht blijven, de (vordering uit) de Loan Agreement niet is uitgezonderd van de overeengekomen kwijtschelding/kwijting. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat uit de tekst zelf niet volgt dat hiermee ook is bedoeld de kwijtschelding/kwijting in te perken. Tussen partijen is niet in geschil dat met de 2021-afspraken niet is beoogd de overname van Hobéon ongedaan te maken. Het ligt daarom meer voor de hand dat de tekst ‘en overige bepalingen’ daar op ziet. Vervolgens weegt de rechtbank mee dat de vordering waar het om gaat niet voortvloeit uit de koopovereenkomst maar uit de afspraken ten tijde van de (eerdere) verkrijging van Hobéon door Triple A in 2018. Weliswaar is die afspraak rond de overname door Kiwa alsnog vastgelegd in de Loan Agreement en is dat document als bijlage bij de koopovereenkomst gevoegd, maar dat maakt nog niet dat de vordering voortvloeit uit de koopovereenkomst. Het beroep van Kiwa op artikel 5 van Pro de koopovereenkomst (zie hiervoor onder 2.3) baat haar evenmin. In artikel 5 is Pro immers niet een betalingsverplichting van Triple A ten aanzien van de Loan Agreement opgenomen. Artikel 5 bepaalt Pro dat Triple A voor de
Completional haar schulden aan Hobéon moet hebben afbetaald
behalvede in de Loan Agreement opgenomen schuld. Daarmee is de schuld van Triple A aan Hobéon niet een onderdeel van de koopovereenkomst geworden, maar juist uitgezonderd van de nader overeengekomen (eerdere) betalingsverplichting. Ook daarin ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat met het van kracht blijven van ‘de overige bepalingen’ van de koopovereenkomst de vordering uit hoofde van de Loan Agreement is uitgezonderd van de kwijtschelding/kwijting.
4.13.
Slotsom is dat naar het oordeel van de rechtbank een tekstuele uitleg van de 2021-afspraken met zich brengt dat de schuld uit hoofde van de Loan Agreement is kwijtgescholden. Hierna zal de rechtbank beoordelen of de overige omstandigheden aanleiding geven deze bepaling (toch) anders uit te leggen.
Overige omstandigheden van het geval
4.14.
Kiwa heeft, naast de door haar voorgestane tekstuele uitleg van de 2021-afspraken, zich er op beroepen dat:
  • zij consistent heeft verklaard alleen kwijting te willen verlenen voor de
  • dat Triple A een paar keer heeft geprobeerd en ruimere kwijting te bewerkstelligen maar dat zij daarmee niet heeft ingestemd; en
  • dat door Triple A nooit is bedongen dat de geldlening zou worden kwijtgescholden en Triple A nooit heeft gevraagd of Kiwa daartoe bereid zou zijn.
Gelet daarop kon Triple A er volgens Kiwa redelijkerwijs niet vanuit gaan dat Kiwa bereid was de geldlening kwijt te schelden. Kiwa verwijst in dat kader ook naar de onafhankelijke beoordeling, waarin is geconcludeerd dat Triple A niet in haar standpunt kan worden gevolgd (zie hiervoor onder 2.14).
4.15.
De rechtbank is – voorshands – van oordeel dat de overige door Kiwa aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om van een andere uitleg van de 2021-afspraken uit te gaan dan hiervoor uiteengezet. Dit licht zij als volgt toe.
4.16.
Kiwa heeft weliswaar aan de hand van de overgelegde correspondentie en (reacties op) concept-versies van de 2021-afspraken onderbouwd dat zij
initieelniet bereid was om een bredere kwijting overeen te komen, maar dat brengt – anders dan door Kiwa betoogd – op zichzelf niet met zich dat Triple A er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij
uiteindelijkmet een bredere kwijting heeft ingestemd. Tegenover de wens van Kiwa om de te maken afspraken beperkt te houden stond immers, voor partijen even duidelijk, de wens van Triple A om juist wel breed afspraken te maken over een finale kwijting tussen partijen. Dat dit voor Kiwa duidelijk was, blijkt onder meer uit de opmerking ‘deze gaat heel ver’ (zie hiervoor onder 2.7) en de interne e-mail van [naam 2] waaruit volgt dat voor Kiwa duidelijk is dat Triple A méér wil dan alleen kwijting voor de managementovereenkomst en de earn-out regeling (zie hiervoor onder 2.8).
4.17.
Ondanks die uiteenlopende
initiëlestandpunten zijn partijen toch nader tot elkaar gekomen, getuige de uiteindelijk schriftelijk gemaakte afspraken. Dat betekent dat ten minste één van partijen haar standpunt (ten dele) moet hebben losgelaten. De omstandigheid dat Kiwa dus
initieelniet bereid was om een bredere kwijting overeen te komen is om die reden van minder gewicht.
4.18.
Uiteindelijk heeft Kiwa ingestemd met het tekstvoorstel van Triple A, behoudens de twee hiervoor onder 2.11 weergegeven aanpassingen. In de toelichting op dat tekstvoorstel schrijft [naam 1] onder meer dat deze beoogt dat
partijen“niets meer van elkaar te vorderen [hebben]” (zie hiervoor onder 2.9). In zijn antwoord weerspreekt [naam 2] een en ander niet en houdt hij evenmin vast aan het eerder door Kiwa ingenomen standpunt. In plaats daarvan duidt hij de twee aanpassingen aan als een “licht aangepaste brief” (zie hiervoor onder 2.10).
4.19.
Bij het voorgaande weegt mee dat partijen, blijkens de Loan Agreement (zie hiervoor onder 2.4), hebben beoogd om de vorderingen uit hoofde van de Loan Agreement zoveel mogelijk te verrekenen met vorderingen uit hoofde van de earn-out regeling. In zoverre bestaat aldus enige verbondenheid tussen de earn-out regeling en de Loan Agreement. Voor zover Kiwa heeft willen betogen dat de Loan Agreement een rechtsverhouding betreft die volstrekt buiten de reikwijdte van de managementovereenkomst en de earn-out regeling staat en daarom niet kan worden geacht onderdeel uit te maken van de 2021-afspraken, kan zij daarin niet worden gevolgd.
4.20.
Dat partijen, in weerwil van de tekst van de 2021-afspraken, de kwijting toch hebben beperkt tot de managementovereenkomst en de earn-out regeling en dus de overige onderlinge schuldverhoudingen tussen partijen buiten de kwijting hebben gehouden, blijkt uit het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Dat in het niet-bindend advies anders is geoordeeld (zie hiervoor onder 2.14) maakt dit niet anders en gezien het niet-bindende karakter van dit advies legt dit ook geen gewicht in de schaal. Nu de overige omstandigheden niet tot een andere uitleg leiden, gaat de rechtbank dus voorshands uit van de uitleg als hiervoor onder 4.13 weergegeven.
4.21.
Bij deze stand van zaken kan Triple A zich succesvol tegen de vorderingen van Kiwa verweren met een beroep op de kwijting. Nu dit – voorshandse – oordeel mede gegrond is op door Kiwa gestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van de inhoud van de 2021-afspraken en zij bewijs heeft aan geboden, zal zij daartoe worden toegelaten als hierna uitgewerkt in het dictum.
4.22.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Indien Kiwa niet slaagt in het haar toegelaten bewijs ligt het in de rede dat haar vordering zal worden afgewezen. Indien zij daar wel in slaagt zal de rechtbank nog moeten oordelen over de vraag of de contractuele rente geheel of gedeeltelijk (wel de vaste rente, niet de boeterente) voor toewijzing in aanmerking komt c.q. moet worden gematigd.
in reconventie
4.23.
Nu nog niet duidelijk is of de vorderingen in conventie (gedeeltelijk) voor toewijzing in aanmerking komen, is aan de voorwaarde waaronder de vorderingen in reconventie zijn ingesteld op dit moment nog niet voldaan. De rechtbank zal daarom iedere verdere beslissing in reconventie aanhouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
laat Kiwa toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshandse oordeel dat de 2021-afspraken aldus moeten worden uitgelegd dat de daarin opgenomen kwijting mede ziet op de (verplichtingen uit hoofde van de) Loan Agreement,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 6 mei 2026voor uitlating door Kiwa of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als Kiwa geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken, indien zij daar reeds over beschikt, dan direct in het geding moet brengen. Indien Kiwa geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen en zij nog niet over (al) die stukken beschikt, kan zij de rechtbank op voornoemde rolzitting verzoeken haar daartoe een nadere termijn te verlenen,
5.4.
bepaalt dat, als Kiwa
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
junitot en met
oktoberdan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van (dhr.) mr. S.M. de Bruijn, in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.In 2023 door fusie opgegaan in Triple A.
2.Inmiddels door fusie: Hobéon Certificering en Accreditatie B.V.
3.In de kop van de brief staat als datum 18 december 2020, onderaan de brief staat 24 december 2020.