Eiser, een Tunesische asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege bedreigingen en discriminatie in zijn land van herkomst vanwege zijn seculiere overtuigingen. Hij stelde dat de Tunesische autoriteiten geen bescherming bieden tegen deze bedreigingen en dat hij vreest voor problemen bij terugkeer.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de vrees van eiser niet aannemelijk was gemaakt. De minister erkende de geloofwaardigheid van de asielmotieven, maar oordeelde dat de situatie in Tunesië geen zodanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden van eiser oplevert dat hij als vluchteling kan worden aangemerkt. Ook is niet aannemelijk dat de autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.
Eiser was niet aanwezig bij de zitting en leverde onvoldoende concrete onderbouwing voor zijn bezwaren tegen het besluit. De rechtbank verwierp zijn argumenten over het ontbreken van effectieve bescherming door de politie en het terugkeerbesluit. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.