Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 27 oktober 2025 in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de behandeling van het beroep op 26 januari 2026 behandeld. Gezien de uitspraak op het beroep, die gelijktijdig is gedaan, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af.
Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoeker recht heeft op een vergoeding van proceskosten, die de minister moet betalen. De vergoeding wordt vastgesteld op €934,-, gebaseerd op het indienen van het verzoekschrift. Voor het verschijnen ter zitting in de beroepsprocedure was reeds een punt toegekend.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J. Blok en griffier W.J.T. Twijnstra op 10 februari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.