ECLI:NL:RBDHA:2026:987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL24.28106
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Eritrese student na studie in de Verenigde Arabische Emiraten

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 16 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Eritrese student behandeld. Eiser, die na zijn studie in de Verenigde Arabische Emiraten niet naar Eritrea is teruggekeerd, vreest ernstige gevolgen bij terugkeer. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend na het afronden van zijn studie, waarbij hij een overeenkomst had getekend om terug te keren naar Eritrea. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van deskundigen over de risico's bij terugkeer, zoals mogelijke detentie en mishandeling, voldoende zijn om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt. De rechtbank vernietigt het besluit van verweerder en draagt deze op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28106

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Hol),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. Berkelmans en mr. J.M. Sidler).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser is na het afronden van zijn studie in de Verenigde Arabische Emiraten niet naar Eritrea teruggekeerd. Uit een aantal bronnen blijkt dat het niet (tijdig) terugkeren na een studie voor Eritreeërs ernstige gevolgen kan hebben. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM [2] . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2000. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 juni 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op 29 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, S.B. Aniania als tolk en M. Berkelmans als gemachtigde van verweerder deelgenomen.
2.3
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser twee weken de tijd te geven om op het verweerschrift van 30 september 2025 te reageren. Aan verweerder is een periode van twee weken geboden om daarop te reageren. De rechtbank heeft partijen daarbij drie vragen gesteld en partijen verzocht die te betrekken in hun schriftelijke reacties.
2.4
Eiser heeft op 14 oktober 2025 een reactie ingediend. Verweerder heeft daar op 28 oktober 2025 op gereageerd. Eiser heeft ook op 27 oktober 2025 en 3 december 2025 nadere gronden ingediend.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025, gelijktijdig met het beroep met nummer NL24.28107 van mevrouw [naam 1] , op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, mevrouw [naam 2] , S.B. Aniania als tolk en J. Sidler als gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Eisers asielrelaas
3. Eiser is geboren op [datum] 2000 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiser heeft op 2 augustus 2023 asiel aangevraagd en heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser is in 2019 uit Eritrea vertrokken met een studentenvisum en heeft vervolgens vier jaar in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) gestudeerd. Voordat eiser aan zijn studie begon, heeft hij in Eritrea een overeenkomst getekend waarin hij heeft beloofd na zijn studie terug te keren naar Eritrea. Eiser heeft na het afronden van zijn studie in de VAE een visum gekregen om naar de Verenigde Staten te reizen voor het volgen van een andere studie. Bij de transfer op Schiphol bleek het visum niet geldig en heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Omdat eiser zich niet heeft gehouden aan de afspraken uit de getekende overeenkomst vreest eiser bij terugkeer voor ernstige gevolgen. Eiser vreest dat zijn diploma zal worden afgepakt, hij in detentie wordt gezet en de militaire dienst moet vervullen.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder heeft eiser de volgende elementen aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd:
-identiteit, nationaliteit en herkomst;
-studie in het buitenland en verplichting tot terugkeer.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eisers studie in het buitenland geloofwaardig geacht, maar het niet geloofwaardig gevonden dat eiser een overeenkomst heeft moeten tekenen voor vertrek uit Eritrea. Eiser heeft geen origineel of kopie van de overeenkomst overgelegd en is er ook met zijn verklaringen niet in geslaagd om dit aannemelijk te maken. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. Dat een legaal uitgereisde vreemdeling buiten Eritrea heeft verbleven is daarvoor onvoldoende. Verder duidt eisers asielrelaas erop dat hij goede banden heeft met het regime. Uit de omstandigheid dat eiser tweemaal terug is geweest toen hij in de VAE studeerde, blijkt niet dat eiser vreest voor het regime. Eiser heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Dat eiser vanwege een buitenlands visum voor de Verenigde Staten in zijn paspoort problemen zou krijgen bij terugkeer in Eritrea, heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de asielaanvraag als ongegrond afgewezen en een terugkeerbesluit, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
De verweerschriften
5. Verweerder heeft in de verweerschriften van 30 september 2025 en 14 oktober 2025 uitgebreid op de beroepsgronden van eiser gereageerd. Deze verweerschriften beschouwt de rechtbank niet als aanvullende besluiten in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verweerschriften hebben namelijk geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen omdat de verweerschriften geen verandering in de rechtspositie van eiser hebben gebracht. Verweerder heeft in de verweerschriften slechts volhard in de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank beschouwt de verweerschriften dus als een aanvullende motivering op het bestreden besluit. Aan de bespreking van de vraag of het bestreden besluit om die reden een motiveringsgebrek bevat en zo ja wat dan de gevolgen hiervan zijn, komt de rechtbank hieronder toe.
Heeft verweerder het ongeloofwaardig mogen vinden dat eiser een overeenkomst heeft getekend?
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat de verklaringen van zijn reisgenote over de vorm van de overeenkomst geen afbreuk doen aan eisers eigen verklaringen daarover. Dat zij ook een overeenkomst stelt te hebben ondertekend, ondersteunt juist zijn verklaring. Eiser wijst ook op het lange tijdsverloop sinds de ondertekening van de overeenkomst in 2019. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen oog gehad voor de bij de zienswijze ingebrachte verklaringen van prof Dr. Magnus Treiber [3] en Dr. Nicole Hirt [4] , die zeggen bekend te zijn met dit soort overeenkomsten. De landeninformatie waar verweerder naar verwijst biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat een overeenkomst zoals genoemd door eiser en zijn reisgenote niet zou kunnen bestaan.
6.1
Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat eiser geen origineel of kopie van de getekende overeenkomst heeft overgelegd, en het bestaan van een dergelijke overeenkomst dus met zijn verklaringen aannemelijk moet maken. Volgens verweerder is eiser daarin niet geslaagd. Dat standpunt heeft verweerder gebaseerd op de volgende tegenwerpingen:
- verweerder stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard ten opzichte van zijn reisgenote over de opmaak van de documenten;
- verweerder stelt dat van eiser verwacht mag worden dat hij gedetailleerder over de overeenkomst had kunnen verklaren;
- verweerder stelt dat de verklaringen van eiser niet consistent zijn met de beschikbare landeninformatie.
Verweerder gaat er daarbij ook vanuit dat eiser goede banden heeft met het Eritrese regime.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ongeloofwaardig is dat eiser een overeenkomst heeft getekend voor zijn vertrek uit Eritrea. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift van 28 oktober 2025 niet langer tegengeworpen dat eiser geen (kopie van de) overeenkomst kan overleggen. Ook wordt hem niet langer tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over de opmaak van het document, omdat verweerder eiser volgt in de stelling dat het vier jaar geleden is dat eiser deze documenten heeft gezien en hij het zich daarom niet duidelijk kan herinneren. Ter zitting is verweerder op dit laatste punt teruggekomen en werpt verweerder eiser tegen dat, nu hij heeft verklaard dat hij bij vertrek uit Eritrea al wist dat hij niet definitief zou terugkeren, van hem verlangd kan worden dat hij specifieker over de overeenkomst kan verklaren. De rechtbank vindt deze tegenwerping onvoldoende in het licht van de door eiser overgelegde verklaringen van de deskundigen Hirt en Treiber die juist bevestigen dat het plausibel en consistent is dat hij voor vertrek zo’n overeenkomst heeft moeten tekenen. Zo verklaart Hirt ‘
It is highly plausible that he had to sign a declaration before departing to give emphasis to the authorities’ demands’. Treiber verklaart
‘I did not know that this practice has been taken up again, but it sounds consistent’. Dat in de landeninformatie die verweerder heeft geraadpleegd het bestaan van een dergelijke overeenkomst niet wordt genoemd, doet er niet aan af dat twee deskundigen dit wel kunnen bevestigen. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat aan de deskundigheid van Treiber en Hirt niet (langer) wordt getwijfeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de verwijzing naar deze verklaringen het bestaan van de overeenkomst aannemelijk gemaakt. Als verweerder daarover twijfels had, had het gelet op de samenwerkingsplicht op de weg van verweerder gelegen om bijvoorbeeld contact op te nemen met Treiber en Hirt. Ook de tegenstrijdigheid tussen eisers verklaring en die van zijn reisgenote over het aantal pagina’s van de overeenkomst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het bestaan van de overeenkomst als ongeloofwaardig af te doen. Dat eiser stelt dat de overeenkomst uit één pagina bestond terwijl zijn reisgenote stelt dat het om twee of drie pagina’s ging, kan hem in redelijkheid niet worden tegengeworpen omdat het om een minimale afwijking gaat en ook gelet op het tijdsverloop sinds de ondertekening van de overeenkomst.
6.3
De tegenwerping dat uit landeninformatie blijkt dat het voor het verkrijgen van een uitreisvisum nodig is om een onderpand te bieden en eiser daarover niet heeft verklaard, acht de rechtbank overigens niet relevant voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. De geciteerde informatie in het verweerschrift van 29 september 2025 heeft immers geen betrekking op het tekenen van een (studie)overeenkomst, maar gaat over het krijgen van een uitreisvisum. Daarbij komt dat verweerder het zelf geloofwaardig heeft gevonden dat eiser met een uitreisvisum naar de VAE is vertrokken.
De beroepsgrond slaagt.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade omdat hij na zijn studie in de VAE niet naar Eritrea is teruggekeerd?
7. Eiser voert aan dat er individuele omstandigheden bestaan op grond waarvan hij heeft te vrezen bij terugkeer. Eiser is ongehoorzaam geweest ten opzichte van het Eritrese regime door na zijn studie in de VAE niet naar Eritrea terug te keren. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser en zijn reisgenote goede banden met het regime hebben gehad omdat zij hebben kunnen uitreizen en kunnen studeren. Eiser heeft kunnen uitreizen en in het buitenland kunnen studeren vanwege zijn goede studieresultaten.
7.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser goede banden heeft met het Eritrese regime. Uit landeninformatie blijkt namelijk dat alleen studenten die aan de vereisten voldoen en goede banden hebben met het regime, een uitreisvisum krijgen. Eiser heeft op dienstplichtige leeftijd zo’n visum kunnen krijgen en heeft tijdens zijn studieperiode ook nog tussentijds kunnen terugkeren naar Eritrea. Waar in landeninformatie wordt gesproken over willekeur bij het verkrijgen van uitreisvisa, moet in de context van Eritrea worden uitgegaan van willekeur op basis van persoonlijke connecties. Omdat eiser goede banden heeft met het Eritrese regime, kan hij ook weer terugkeren naar Eritrea. Uit informatie uit het Algemeen Ambtsbericht van december 2023 volgt dat een niet tijdige terugkeer na afloop van een uitreisvisum niet noodzakelijkerwijs illegaal verblijf in het buitenland betekent. Slechts als er uitzonderlijke omstandigheden bestaan, zal een langer verblijf in het buitenland leiden tot ernstige schade. In het geval van eiser is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden.
7.2
Over het verstrekken van uitreisvisa staat op pagina 20 van het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 het volgende:
""Verder zouden er inconsistent en willekeurig uitreisvisa worden verstrekt aan studenten, zakenmensen, sporters, mensen die ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de afgifte van uitreisvisa omkochten, en personen met persoonlijke connecties. Uitreisvisa werden vooral verstrekt naar aanleiding van persoonlijke connecties"
7.2.1
De rechtbank stelt vast dat studenten en personen met persoonlijke connecties in bovenstaand citaat als afzonderlijke categorieën worden genoemd. Hieruit blijkt dus niet dat enkel studenten met persoonlijke connecties met het regime in het buitenland kunnen studeren. Dat in het ambtsbericht ook staat dat uitreisvisa vooral werden verstrekt op basis van persoonlijke connecties, betekent nog niet dat eiser als student per definitie die persoonlijke connecties nodig had. Eiser heeft onderbouwd dat hij goede studieresultaten had en gesteld dat hij op basis daarvan in de VAE mocht studeren. Ook met de andere in de verweerschriften aangehaalde bronnen is verweerder er niet in geslaagd te onderbouwen dat uitreizen als student alleen mogelijk is als de student of zijn familie goede banden heeft met het regime. Op de door verweerder aangehaalde pagina 44 van het EUAA Country of Origin Information Report uit september 2019, staat dat als iemand aan de visumvoorwaarden voldoet alsnog een visum kan worden geweigerd. Ook uit deze verwijzing volgt niet dat er altijd persoonlijke connecties nodig zijn om een uitreisvisum te verkrijgen. Het feit dat eiser tijdens zijn studie heeft terug kunnen reizen naar Eritrea en weer heeft kunnen vertrekken, duidt ook niet zonder meer op goede banden met de Eritrese autoriteiten. Eiser heeft immers verklaard dat het in- en uitreizen gekoppeld was aan de duur van zijn studievisum voor de VAE. Uit landeninformatie blijkt niet dat dit niet mogelijk is.
7.2.2
De verwijzing door verweerder naar het Algemeen Ambtsbericht 2023 en de nadere toelichting daarop van 30 april 2025, vindt de rechtbank ook onvoldoende voor het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit die informatie volgt dat terugkeer naar Eritrea na het verlopen van een uitreisvisum geen belangrijke reden voor vervolging is. Als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, kan een niet tijdige terugkeer echter wel aangemerkt worden als illegaal verblijf in het buitenland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. In het geval van eiser is immers niet alleen sprake van een verlopen uitreisvisum, maar ook van het niet terugkeren na het voltooien van een studie in het buiteland. Eiser heeft het gestelde risico bij terugkeer voldoende aannemelijk gemaakt door te verwijzen naar de verklaringen van de deskundigen Hirt en Treiber. Zij wijzen op ernstige risico’s bij terugkeer. Magnus Treiber verklaart dat:

There is no doubt, that overstaying a student exit visa (which has to be understood as a rare privilege) would be taken as treason and a major offense against the Eritrean State. Prison and mistreatment would be inevitable. Eritrean prisons are far below international standards and do not guarantee basic human rights."
En Nicole Hirt verklaart dat:

I am convinced that the consequences for the client after returning to Eritrea would be the same as for Eritreans who left the country illegally or even worse because he betrayed the trust that the officials put in him by granting him an exit visa. This could include arbitrary arrest, torture and being transferred to a military camp for an opened period of forced military' service.”
7.2.3
De rechtbank acht het hierbij ook aannemelijk dat de Eritrese autoriteiten, bekend waren met eisers studie in de VAE en de einddatum daarvan. Het volgen van een studie in het buitenland voor Eritrese onderdanen is immers alleen mogelijk met instemming van de Eritrese autoriteiten. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in de verweerschriften onvoldoende betrokken dat het risico bij terugkeer voor eiser juist is gebaseerd op het niet tijdig terugkeren na het afronden van de studie, ongeacht of er een overeenkomst is getekend of een uitreisvisum is verlopen. Het standpunt dat eiser, gelet op zijn persoonlijke connecties met het Eritrese regime - wat daar ook van zij -, zonder problemen zou kunnen terugkeren volgt de rechtbank niet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat zowel Treiber en Hirt aangeven dat het niet tijdig terugkeren na afronden van een studie wordt gezien als verraad of een ernstige vertrouwensbreuk. Daargelaten of verweerder voldoende heeft onderbouwd dat deze persoonlijke connecties bestaan, heeft verweerder geen afdoende reactie gegeven op de vraag of bovenstaande landeninformatie op zichzelf, dus ongeacht of eiser banden met het Eritrese regime heeft, maakt dat eiser bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Verweerder heeft de aanvraag gelet op het voorgaande ten onrechte als ongegrond afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
8.1
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
8.2
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een nadere schriftelijke zienswijze, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 juni 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.LMU München University, Duitsland.
4.Associate, GIGA Institute for African Affairs, Hamburg, Duitsland.