2.2.Verzoeker heeft, voor zover van belang, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
GROND 1 – ZEER RECENTE TOEGEWEZEN WRAKING IN IDENTIEKE CONTEXT
Op 29 december 2025 is mr. C.W.D. Bom door de wrakingskamer van deze rechtbank gewraakt, waarbij het wrakingsverzoek is toegewezen (zie bijlage 1).
Overeenkomsten met de onderhavige zaak
arbeidsgeschil ontbinding arbeidsovereenkomst
werknemer tegenover een overheidsinstelling
kantonrechter Rechtbank Den Haag
dezelfde rechter mr. C.W.D. Bom
Kernoverweging wrakingskamer (letterlijk):
"Door zonder kennis te nemen van de inhoud van de pleitnota te weigeren dat deze wordt voorgedragen en te eisen dat de gemachtigde eerst reageert op de standpunten van de wederpartij, heeft de rechter te veel ingegrepen in de processuele verhouding tussen partijen, hetgeen ten minste de schijn van partijdigheid oplevert." De wrakingskamer heeft derhalve objectieve schijn van partijdigheid vastgesteld wegens ongelijke behandeling van procespartijen, waarbij de overheid werd bevoordeeld ten opzichte van de werknemer.
Gelet op het uiterst recente karakter van deze toegewezen wraking en de identieke processuele context, bestaat reeds daarom een objectief gerechtvaardigde vrees dat mr. Bom in de onderhavige zaak niet de vereiste onpartijdigheid kan betrachten.
GROND 2 – HERHALING VAN HET VASTGESTELDE PATROON IN DEZE ZAAK
Ook in de onderhavige procedure heeft mr. Bom reeds meerdere processuele beslissingen genomen die het in de ECLI-uitspraak vastgestelde patroon bevestigen.
A. Uitstelverzoek Rijkswaterstaat zonder hoor en wederhoor gehonoreerd
Op 27 oktober 2025 kondigde Rijkswaterstaat een aanvullende indiening aan met als deadline 30 oktober 2025, terwijl de zitting gepland stond op 4 november 2025. Op 3 november 2025, één dag voor de zitting, heeft mr. Bom de zitting uitgesteld naar 13 januari 2026, zonder verificatie van de noodzaak, hoor en wederhoor, belangenafweging of motivering. Dit heeft Rijkswaterstaat een procedureel voordeel verschaft.
B. Zeer laat ingediende stukken zonder sanctie toegelaten
Rijkswaterstaat heeft haar stukken op 22 december 2025 ingediend (zie bijlage 2), derhalve zeer kort voor de feestdagen en zodanig laat dat verzoeker, mede gezien de feestdagen en de beperkte resterende voorbereidingstijd, uitsluitend bijlagen zonder inhoudelijke schriftelijke toelichting kon indienen. Niettemin heeft mr. Bom deze zeer late indiening van Rijkswaterstaat zonder motivering geaccepteerd en zonder enige processuele consequentie toegelaten.
C. Verzoek digitale deelname verzoeker genegeerd
Verzoeker heeft, vanwege zijn medische situatie, verzocht om digitale deelname aan de zitting (zie bijlage 3). Pas op 13 januari 2026 is hierop inhoudelijk gereageerd (zie bijlage 4), met excuses voor de late reactie, hetgeen verzoeker objectief heeft beperkt in zijn voorbereiding.
Conclusie grond 2
In alle drie gevallen is sprake van procedurele voordelen voor de overheid en het negeren of benadelen van verzoeker. Dit patroon is identiek aan het patroon dat de wrakingskamer op 29 december 2025 heeft vastgesteld.
GROND 3 – OBJECTIEVE SCHIJN VAN PARTIJDIGHEID ART. 6 EVRM
Volgens vaste jurisprudentie is beslissend of een redelijk en geïnformeerd observator objectief zou vrezen dat de rechter niet onpartijdig is. Gelet op de zeer recente toegewezen wraking van mr. Bom, de herhaling van hetzelfde patroon in deze zaak en de medische kwetsbaarheid van verzoeker, is deze vrees objectief gerechtvaardigd.
GROND 4 – PREVENTIEVE WRAKING IS GERECHTVAARDIGD
Wraking is toegestaan vóór de zitting, indien reeds objectieve gronden bestaan. Die gronden zijn hier ruimschoots aanwezig. Wachten tot de zitting zou het risico inhouden van herhaling van vastgestelde ongelijkheid, medische schade bij verzoeker en procedurele vertraging.”