ECLI:NL:RBDHA:2026:988

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/697710 / KG RK 26-87
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter mr. C.W.D. Bom in civiele procedure

Op 21 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan op het wrakingsverzoek van een verzoeker tegen rechter mr. C.W.D. Bom. Het wrakingsverzoek, ingediend op 13 januari 2026, werd afgewezen. De verzoeker voerde vier gronden aan voor de wraking, waarvan de eerste drie betrekking hadden op veronderstellingen en suggesties zonder concrete feiten die de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid konden onderbouwen. De wrakingskamer oordeelde dat de door verzoeker aangevoerde gronden onvoldoende waren om te concluderen dat de rechter niet onpartijdig zou zijn. De vierde grond, die stelde dat preventieve wraking gerechtvaardigd was, werd eveneens afgewezen omdat deze gebaseerd was op veronderstellingen zonder feitelijke onderbouwing. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat enkel bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het aannemen van partijdigheid. De beslissing om het wrakingsverzoek af te wijzen werd in het openbaar uitgesproken, en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/02
zaak- /rekestnummer: C/09/697710 / KG RK 26-87
Beslissing van 21 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. C.W.D. Bom,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het schriftelijke wrakingsverzoek is gedaan op 13 januari 2026.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11889464 RP VERZ 25-50714 tussen verzoeker als verzoekende partij en de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, meer in het bijzonder Rijkswaterstaat, als verwerende partij (hierna: de hoofdzaak).
2.2.
Verzoeker heeft, voor zover van belang, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
“3. GRONDEN VOOR WRAKING
GROND 1 – ZEER RECENTE TOEGEWEZEN WRAKING IN IDENTIEKE CONTEXT
Op 29 december 2025 is mr. C.W.D. Bom door de wrakingskamer van deze rechtbank gewraakt, waarbij het wrakingsverzoek is toegewezen (zie bijlage 1).
Overeenkomsten met de onderhavige zaak
  • arbeidsgeschil ontbinding arbeidsovereenkomst
  • werknemer tegenover een overheidsinstelling
  • kantonrechter Rechtbank Den Haag
  • dezelfde rechter mr. C.W.D. Bom
Kernoverweging wrakingskamer (letterlijk):
"Door zonder kennis te nemen van de inhoud van de pleitnota te weigeren dat deze wordt voorgedragen en te eisen dat de gemachtigde eerst reageert op de standpunten van de wederpartij, heeft de rechter te veel ingegrepen in de processuele verhouding tussen partijen, hetgeen ten minste de schijn van partijdigheid oplevert." De wrakingskamer heeft derhalve objectieve schijn van partijdigheid vastgesteld wegens ongelijke behandeling van procespartijen, waarbij de overheid werd bevoordeeld ten opzichte van de werknemer.
Gelet op het uiterst recente karakter van deze toegewezen wraking en de identieke processuele context, bestaat reeds daarom een objectief gerechtvaardigde vrees dat mr. Bom in de onderhavige zaak niet de vereiste onpartijdigheid kan betrachten.
GROND 2 – HERHALING VAN HET VASTGESTELDE PATROON IN DEZE ZAAK
Ook in de onderhavige procedure heeft mr. Bom reeds meerdere processuele beslissingen genomen die het in de ECLI-uitspraak vastgestelde patroon bevestigen.
A. Uitstelverzoek Rijkswaterstaat zonder hoor en wederhoor gehonoreerd
Op 27 oktober 2025 kondigde Rijkswaterstaat een aanvullende indiening aan met als deadline 30 oktober 2025, terwijl de zitting gepland stond op 4 november 2025. Op 3 november 2025, één dag voor de zitting, heeft mr. Bom de zitting uitgesteld naar 13 januari 2026, zonder verificatie van de noodzaak, hoor en wederhoor, belangenafweging of motivering. Dit heeft Rijkswaterstaat een procedureel voordeel verschaft.
B. Zeer laat ingediende stukken zonder sanctie toegelaten
Rijkswaterstaat heeft haar stukken op 22 december 2025 ingediend (zie bijlage 2), derhalve zeer kort voor de feestdagen en zodanig laat dat verzoeker, mede gezien de feestdagen en de beperkte resterende voorbereidingstijd, uitsluitend bijlagen zonder inhoudelijke schriftelijke toelichting kon indienen. Niettemin heeft mr. Bom deze zeer late indiening van Rijkswaterstaat zonder motivering geaccepteerd en zonder enige processuele consequentie toegelaten.
C. Verzoek digitale deelname verzoeker genegeerd
Verzoeker heeft, vanwege zijn medische situatie, verzocht om digitale deelname aan de zitting (zie bijlage 3). Pas op 13 januari 2026 is hierop inhoudelijk gereageerd (zie bijlage 4), met excuses voor de late reactie, hetgeen verzoeker objectief heeft beperkt in zijn voorbereiding.
Conclusie grond 2
In alle drie gevallen is sprake van procedurele voordelen voor de overheid en het negeren of benadelen van verzoeker. Dit patroon is identiek aan het patroon dat de wrakingskamer op 29 december 2025 heeft vastgesteld.
GROND 3 – OBJECTIEVE SCHIJN VAN PARTIJDIGHEID ART. 6 EVRM
Volgens vaste jurisprudentie is beslissend of een redelijk en geïnformeerd observator objectief zou vrezen dat de rechter niet onpartijdig is. Gelet op de zeer recente toegewezen wraking van mr. Bom, de herhaling van hetzelfde patroon in deze zaak en de medische kwetsbaarheid van verzoeker, is deze vrees objectief gerechtvaardigd.
GROND 4 – PREVENTIEVE WRAKING IS GERECHTVAARDIGD
Wraking is toegestaan vóór de zitting, indien reeds objectieve gronden bestaan. Die gronden zijn hier ruimschoots aanwezig. Wachten tot de zitting zou het risico inhouden van herhaling van vastgestelde ongelijkheid, medische schade bij verzoeker en procedurele vertraging.”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Grond 1
3.2.
Verzoeker heeft als grond 1 van zijn wrakingsverzoek aangevoerd dat een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat de rechter niet de vereiste onpartijdigheid kan betrachten, omdat een (recent) wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter is toegewezen in een procedure met - volgens verzoeker - identieke processuele context als de hoofdzaak. Dit enkele feit is echter onvoldoende om daaruit de partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter of de zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees af te kunnen leiden. Aangenomen mag worden dat de rechter in staat is om in iedere nieuwe zaak een onbevangen oordeel te geven. De door verzoeker aangevoerde grond betreft dan ook slechts een veronderstelling. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de gestelde (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid in de hoofdzaak zou kunnen afleiden ontbreken. Daarom is het wrakingsverzoek voor zover op deze grond gebaseerd niet toewijsbaar.
Grond 2
3.3.
Verzoeker heeft aan grond 2 onder A, B en C van zijn wrakingsverzoek meerdere procedurele beslissingen van de rechter ten grondslag gelegd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de procedurele beslissingen, niet toewijsbaar is.
Gronden 3 en 4
3.4.
De als gronden 3 en 4 door verzoeker aangevoerde stellingen betreffen slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor in de hoofdzaak kan afleiden, ontbreken. Daarom is het verzoek ook op deze gronden niet toewijsbaar.
3.5.
Slotsom is dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is en zal worden afgewezen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.