ECLI:NL:RBDHA:2026:9882
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering voorschot zorgtoeslag na inkomenswijziging
Eiser maakte bezwaar tegen de terugvordering van een voorschot zorgtoeslag van €9,-, nadat zijn inkomen was gestegen van €39.100,- naar €70.000,-, waardoor het voorschot werd herzien naar €0,-. Verweerder had het voorschot teruggevorderd en het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser voerde aan dat artikel 26a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), dat een doelmatigheidsgrens stelt voor terugvorderingen, naar analogie op zijn situatie toegepast zou moeten worden. Tevens stelde hij dat de terugvordering onevenredig was en dat hij niet correct was gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat artikel 26a Awir niet van toepassing is op voorschotten en dat de wetgever expliciet heeft uitgesloten dat deze bepaling in de voorschotfase geldt. Hoewel verweerder discretionaire ruimte heeft om terugvorderingen te matigen, heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd die een matiging rechtvaardigen. Ook was het horen van eiser niet verplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank concludeerde dat de terugvordering terecht is en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter M. de Kock-Molendijk op 24 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de terugvordering van het voorschot zorgtoeslag van €9,- en verklaart het beroep ongegrond.