Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9883

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
09/009636-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vervoeren en aanwezig hebben van 80 kilogram cocaïne in taxi

De rechtbank Den Haag heeft op 24 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 80 kilogram cocaïne in zijn taxi op 10 januari 2026.

Tijdens de terechtzitting op 10 april 2026 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en de verdediging. Bewijsmiddelen zoals berichten via Signal en Snapchat, foto’s en filmpjes op de iPhone van de verdachte, en de vondst van de cocaïne in de taxi, toonden aan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en daarover kon beschikken.

De rechtbank verklaarde het overige ten laste gelegde niet bewezen en sprak de verdachte daarvan vrij. Gelet op de ernst van het feit, de jonge leeftijd van de verdachte, zijn rol, en het feit dat het om eenmalig en lokaal vervoer ging, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 33 maanden op, met aftrek van het voorarrest. Tevens werd de gebruikte personenauto verbeurd verklaard.

De rechtbank volgde het advies van de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen en hield rekening met het strafblad en persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 33 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en verbeurdverklaring van de gebruikte personenauto.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/009636-26
Datum uitspraak: 24 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.M. van Dam naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 80 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde vervoeren en aanwezig hebben van 80 kilo cocaïne. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het overige ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het ten laste gelegde vervoeren en aanwezig hebben van 80 kilo cocaïne op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden verklaard.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverweging
Opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van verdovende middelen
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I aanwezig te hebben. Het met opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar gesteld op grond van artikel 10, lid 3 en artikel 13 Opiumwet Pro.
Voor een bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op z'n minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat het middel in zijn machtssfeer aanwezig is geweest.
Bij de aanhouding van de verdachte op 10 januari 2026 is zijn iPhone 15 in beslag genomen en onderzocht. In de telefoon zijn filmpjes en foto’s aangetroffen van stapels geld en drugspakketten gelijkend op de aangetroffen pakketten in de auto van de verdachte. Op 10 januari 2026 tussen 13.10 uur en 15.19 uur, en dus kort voor de staandehouding rond 16.15 uur, zijn er via Signal berichten met foto’s verzonden, waaronder ‘Afbeelding’, ‘foto tweede tas 20’, ‘foto 3e tas 25’ en ‘foto 4e tas 25’. Op 10 januari 2026 tussen 16.27.33 uur en 16.40.13 uur, net voor de aanhouding van de verdachte om 16.44 uur, zijn er berichten via Snapchat verzonden tussen ‘ [account 1] (eigenaar)’ en ’ [account 2] ’. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ‘ [account 1] (eigenaar)’ is en hij de berichten heeft verzonden. ‘ [account 1] (eigenaar)’ stuurt: ‘En er komt iemand drugs test doen. En als dat klopt. Mag ik gaan. Zeiden ze. Heb drugs test gedaan.’. ‘ [account 2] ’ stuurt: ‘Als ze koffer bak gaan. Live wegrennen hè’. ‘ [account 1] (eigenaar)’ stuurt: ‘Oké’. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 10 januari 2026 wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de cocaïne in zijn taxi en dat hij over de cocaïne kon beschikken. Ook heeft hij de cocaïne vervoerd in zijn taxi. Het overige ten laste gelegde kan niet worden bewezen en daarvan spreekt de rechtbank de verdachte vrij.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 10 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft vervoerd
enopzettelijk aanwezig heeft gehad, 80 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en het aanwezig hebben van 80 kilogram cocaïne in zijn taxi. Harddrugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving. De handel en het gebruik van harddrugs gaan gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft daaraan deelgenomen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 maart 2026. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 27 maart 2026, waaruit volgt dat de risico’s op recidive niet goed kunnen worden ingeschat. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Bij een veroordeling tot een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan een jaar, zal de reclassering in het kader van de re-integratie (bij voorwaardelijke invrijheidstelling) van de verdachte een nieuw onderzoek doen naar de toedracht, de persoonlijke omstandigheden, de risico's en de noodzaak en haalbaarheid van bijzondere voorwaarden.
Volwassenenstrafrecht
Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank het volwassenenstrafrecht toepassen.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als vertrekpunt genomen. Daarin staat als uitgangspunt voor het vervoeren van meer dan 20.000 gram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 50 maanden vermeld. Als uitgangspunt voor het aanwezig hebben van meer dan 20.000 gram harddrugs staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 36 maanden vermeld. De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de jonge leeftijd van de verdachte, met de omstandigheid dat de verdachte een first offender is, met de (uitvoerende) rol van de verdachte en met het feit dat het gaat om eenmalig en lokaal vervoer. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij voor het vervoer een auto bedoeld voor taxi-vervoer heeft gebruikt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Het in beslag genomen voorwerp

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als
bijlage IIaan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp (1 personenauto [kenteken] (Bouwjaar 2013, Grijs, merk: Ford) zal worden verbeurdverklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp (1 personenauto [kenteken] (Bouwjaar 2013, Grijs, merk: Ford) verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
33 (DRIEËNDERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
het in beslag genomen voorwerp;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Personenauto [kenteken] (Bouwjaar 2013, Grijs, merk: Ford).
Dit vonnis is gewezen door
mr. T.A.B. Mentink, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.