Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9887

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/09/701012 / JE RK 26-388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden vanwege risicovol gedrag en stagnerende hulpverlening. De minderjarige vertoont risicovol en opstandig gedrag, met een posttraumatische stressstoornis en oppositioneel-opstandige stoornis vastgesteld door een organisatie. De huidige plaatsing op een woongroep in een andere plaats belemmert de continuering van behandeling en schoolgang.

De ouders willen dat de minderjarige terugkeert naar huis en staan open voor hulpverlening. Er is geen sprake van onveilige thuissituatie of huiselijk geweld, en de minderjarige brengt weekenden thuis door. De kinderrechter constateert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigd wordt door het gedrag en de onduidelijkheid over de thuissituatie, en dat hulpverlening noodzakelijk is.

De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en wijst de machtiging tot uithuisplaatsing af, omdat terugplaatsing bij de ouders momenteel de enige mogelijkheid is om behandeling, dagbesteding en hulpverlening te continueren. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen en de minderjarige wordt onder toezicht gesteld met terugplaatsing bij de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/701012 / JE RK 26-388
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en afwijzing van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat voor de ouders: mr. R.G. Jagesar uit Den Haag,
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 en 13 maart 2026;
- het bericht van de advocaat van de ouders met bijlagen ontvangen op 16 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder bijgestaan door hun advocaat en door een tolk in de taal Farsi;
  • [naam 1] namens de Raad;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
[de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
2.3.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.4.
[de minderjarige] verblijft op een woongroep ( [woongroep] ) in [plaats 1] .
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 januari 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 maart 2026 en voor diezelfde duur een machtiging verleend om [de minderjarige] dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
3.2.
[de minderjarige] laat voor haar leeftijd risicovol gedrag zien, waardoor zij in onveilige situaties terecht komt. Zij lijkt de gevolgen van haar gedrag onvoldoende in te zien. [de minderjarige] liep bij haar ouders regelmatig weg van huis en op de woongroep zet zij ook regelmatig haar locatie uit als zij buiten is. [de minderjarige] vindt het lastig om over haar emoties te praten en haar verhalen zijn soms wisselend, waardoor het lastig is om goed in te schatten wat er speelt en wat [de minderjarige] nodig heeft. [organisatie] heeft een posttraumatische stresstoornis en een oppositioneel – opstandige stoornis bij [de minderjarige] vastgesteld. Dit kan de afwerende opstandige houding van [de minderjarige] en haar emotionele problemen verklaren. Tevens werd vanuit [organisatie] gezien dat [de minderjarige] moeite heeft met vertrouwen. Doordat [de minderjarige] op dit moment buiten [plaats 2] verblijft is het niet gelukt om hulpverlening bij [organisatie] te continueren. Ook stagneert de schoolgang van [de minderjarige] nu zij in [plaats 1] verblijft. School was bezig met een aanmelding van [de minderjarige] bij het Flexcollege, maar dit kan niet worden opgestart zolang [de minderjarige] in [plaats 1] verblijft.
3.3.
In de thuissituatie zijn er zorgen geweest over spanningen tussen ouders en richting [de minderjarige] wanneer zij zich overvraagd voelden. Ouders en [de minderjarige] ontwijken, ook bij jeugdbescherming en op de woongroep, vragen over het verleden en hoe de thuissituatie was. Er is op dit moment, omdat er nog geen hulpverlening is ingezet bij ouders, nog te weinig sprake van verandering en stabiliteit. Hierdoor is er een grote kans op nieuwe escalaties op het moment dat [de minderjarige] nu naar huis terug zou keren. De plek in [plaats 1] waar [de minderjarige] nu verblijft is niet de beste plek, maar was wel noodzakelijk om [de minderjarige] uit de thuissituatie te halen en uit de groep met mensen waar zij mee omging. De Raad vindt het thuis wonen van [de minderjarige] nog niet aan de orde. Er dient eerst een gedegen basis te zijn om de kans op terugval te minimaliseren. Deze basis is er nog niet. Er moet wel worden gekeken naar de mogelijkheden van verblijf in de regio bij ouders zodat het contact met ouders voorgezet kan worden en zodat haar school/dagbesteding en hulpverlening in de regio kan worden opgestart en gecontinueerd.

4.De standpunten

4.1.
Door de gecertificeerde instelling is het volgende naar voren gebracht. De plaatsing van [de minderjarige] in [plaats 1] is een buiten regionale plaatsing en er is contact met de gemeente over de financiering van de plaatsing. Er is besloten om de behandeling bij [organisatie] weer op te gaan starten met mogelijk dezelfde begeleiders die [de minderjarige] eerder ook heeft gehad. Dit willen ouders en [de minderjarige] zelf ook. [organisatie] heeft echter aangegeven dat dit niet kan zolang [de minderjarige] in [plaats 1] woont. Er is gezocht naar een nieuwe plek voor [de minderjarige] dichter bij [plaats 2] , maar dit is nog niet gelukt. Dit heeft onder andere te maken met de schaarste in plekken, maar ook met het gedrag van [de minderjarige] . De gedragingen van [de minderjarige] gaan verder dan puberaal gedrag en zijn zeer zorgelijk. Recent is er een incident geweest waarbij [de minderjarige] een mes had.
4.2.
Er is geprobeerd om het gesprek aan te gaan over de thuissituatie en het mogelijke huiselijk geweld. [de minderjarige] wil daar echter niet over praten en ouders zeggen dat dit niet is gebeurd. Hierdoor is het lastig om daar hulpverlening op in te zetten. Er is contact geweest met Sensazorg en er wordt nog bekeken of deze hulpverlening passend is voor het gezin. [de minderjarige] komt in het weekend bij haar ouders. Dit is rustig opgebouwd met de begeleider van de woonplek in [plaats 1] . Er is een prille ontwikkeling zichtbaar; [de minderjarige] deelt meer met haar ouders en de ouders erkennen dat zij hulp nodig hebben bij het stellen van regels en grenzen. De zorgen over [de minderjarige] en de risico’s blijven echter nog wel steeds aanwezig.
4.3.
Door de ouders is het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] is pas dertien jaar en de ouders willen dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen. Zij staan open voor alle hulpverlening. De reden dat het bergafwaarts is gegaan met [de minderjarige] is omdat zij langere tijd rond heeft gelopen met een geheim. Hierdoor liet [de minderjarige] puberaal gedrag zien en voelde zij angst en schaamte. Inmiddels hebben ouders en [de minderjarige] dit met elkaar besproken en over en weer hun zorgen gedeeld. Er is geen behandeling op de plek waar [de minderjarige] nu verblijft en die komt er op korte termijn ook niet. [de minderjarige] is jong, doet HAVO/VWO en een uithuisplaatsing zorgt voor teveel onzekerheid, stress en onthechting van de familie en relaties. Daarbij komt dat school, dagbesteding en GGZ-hulp zich afspeelt rondom [plaats 2] . De thuissituatie is niet onveilig. De ouders hebben intensieve trajecten voor hun opvoedcapaciteiten gehad. Er zijn geen aanwijzingen voor misbruik, constant huiselijk geweld of politieoptreden naar ouders. Daarbij komt dat [de minderjarige] elke weekend van vrijdagochtend vanaf 10.00 uur tot zondag 22.00 uur thuis is. De ouders en [de minderjarige] hebben 25 afspraken gemaakt en er is voldoende vertrouwen dat ouders en [de minderjarige] zich hieraan zullen houden. Voor [de minderjarige] moet traumaverwerking worden ingezet. Er is voor [de minderjarige] direct hulp beschikbaar vanuit [organisatie] . Ouders geven concreet aan dat er een hulpvraag is op meerdere gebieden en zij staan open voor de hulpverlening.
De advocaat concludeert tot toewijzing van de ondertoezichtstelling en primair tot afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing en subsidiair tot verkorting van de machtiging tot uithuisplaatsing tot één maand.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Er zijn grote zorgen over de veiligheid en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] is pas dertien jaar, maar zij laat zelfbepalend en risicovol gedrag zien waardoor zij in onveilige situaties terecht komt. [de minderjarige] is thuis regelmatig weggelopen en onduidelijk is waar en met wie zij was. Er zijn sterke signalen dat [de minderjarige] omgaat met jongeren die zich in het criminele circuit bevinden. [de minderjarige] heeft een ander telefoonnummer, maar lijkt zelf nog steeds contact op te zoeken met haar oude vriendenkring dan wel dat haar oude vriendenkring contact met haar opzoekt. Zij lijkt door anderen onder druk te worden gezet en hierbij onvoldoende haar eigen grenzen te kunnen bewaken. Ook heeft [de minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over ongewenste en grensoverschrijdende contacten. Het is van belang dat [de minderjarige] hulp krijgt bij het verwerken hiervan. Daarnaast zijn er zorgen over de cognitieve ontwikkeling van [de minderjarige] . De schoolgang van [de minderjarige] stagneert, omdat zij verblijft op een woongroep in [plaats 1] . [de minderjarige] lijkt wel haar schoolwerk te maken, maar er is bij de school geen zicht op hoe dit verloopt. Ook een verdere behandeling bij [organisatie] komt niet van de grond, eveneens vanwege het verblijf van [de minderjarige] in [plaats 1] . De ouders zijn onvoldoende in staat om [de minderjarige] te begrenzen. Zowel ouders als [de minderjarige] willen niet praten over hetgeen zich in de thuissituatie heeft afgespeeld, waardoor er onvoldoende duidelijkheid is over welke hulpverlening er voor het gezin het meest passend is. De ouders staan open voor hulpverlening in de thuissituatie en het is noodzakelijk dat dit op korte termijn wordt opgestart. De kinderrechter acht het van belang dat er een jeugdbeschermer komt om hierin de regie te nemen en te zorgen dat er passende hulpverlening wordt ingezet en dat het verloop hiervan wordt gemonitord.
5.3.
Gelet op het voorgaande is een ondertoezichtstelling nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
Ten aanzien van het verzoek om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder overweegt de kinderrechter als volgt. Om [de minderjarige] uit de thuissituatie te halen en uit de zorgelijke contacten die zij buitenshuis onderhield is zij geplaatst op een woongroep in [plaats 1] . Hierdoor is er een impasse ontstaan. Enerzijds is het in het belang van [de minderjarige] dat zij op een veilige plek is, maar anderzijds is een behandeling en het inzetten van andere passende hulpverlening noodzakelijk. Dit komt in [plaats 1] echter niet van de grond. De afgelopen drie maanden is geen enkele vorm van hulpverlening voor zowel de ouders als voor [de minderjarige] tot stand gekomen, terwijl duidelijk is dat dit nodig is. Voor [de minderjarige] is het van belang dat zij haar behandeling bij [organisatie] kan voortzetten. [organisatie] wil dit echter niet zolang [de minderjarige] in [plaats 1] verblijft. Op dit moment is niet duidelijk binnen welke termijn er voor [de minderjarige] hulpverlening in [plaats 1] beschikbaar is, terwijl de hulp bij [organisatie] direct kan starten. [de minderjarige] en haar ouders willen ook dat de behandeling van [organisatie] wordt voortgezet. Tevens is er nog geen oplossing gevonden voor de stagnerende schoolgang van [de minderjarige] . De kinderrechter vindt dat voorkomen moet worden dat [de minderjarige] de komende periode in [plaats 1] verblijft zonder dat er enige vorm van hulpverlening, behandeling en dagbesteding voor haar is. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat er op korte termijn ook geen zicht is op een eventuele plaatsing van [de minderjarige] in de omgeving van [plaats 2] .
5.5.
De kinderrechter concludeert dat een terugplaatsing bij ouders op dit moment de enige mogelijkheid is om er voor te zorgen dat [de minderjarige] de noodzakelijke behandeling bij [organisatie] krijgt, dat zij weer dagbesteding heeft in de vorm van school en dat er verdere hulpverlening wordt ingezet. De kinderrechter verwacht van [de minderjarige] en haar ouders dat zij de afspraken die zij onderling hebben gemaakt zullen nakomen zodat de veiligheid van [de minderjarige] beter kan worden gewaarborgd. De jeugdbeschermer zal in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken blijven om het gezin verder te begeleiden.
5.6.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afwijzen.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 18 maart 2026 tot 18 maart 2027;
6.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.D. van den Berg als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.