ECLI:NL:RBDHA:2026:9888
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek aansluitende zorgmachtiging op grond van Wvggz wegens stabiele toestand betrokkene
De officier van justitie verzocht op 4 maart 2026 om een aansluitende zorgmachtiging voor betrokkene op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro. Betrokkene, geboren in 1999, werd bijgestaan door zijn advocaat en was aanwezig bij de zitting op 18 maart 2026. Diverse medische documenten, waaronder een verklaring van een psychiater en een zorgplan, werden overgelegd.
Tijdens de zitting gaf betrokkene aan dat het goed met hem gaat en dat hij geen zorgmachtiging wenst vanwege het beklemmende gevoel dat dit oproept. Hij wil een zelfbindingsverklaring opstellen en is hierover in overleg met zijn behandelaren. De advocaat voerde aan dat betrokkene wilsbekwaam is, er geen ernstig nadeel is en dat toewijzing in strijd is met subsidiariteit en proportionaliteit.
De psychiater bevestigde de stabiele toestand, maar verwees naar een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld in het voorgaande jaar. De aanvraag is ingegeven door het afbouwen van medicatie en de wens voor een vangnet. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige meldde dat een signaleringsplan en de zelfbindingsverklaring in voorbereiding zijn.
De rechtbank concludeerde dat niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, gezien de stabiele toestand en actieve medewerking van betrokkene. De zelfbindingsverklaring wordt als een minder bezwarend en effectief alternatief gezien. Daarom werd het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen.
Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot aansluitende zorgmachtiging wordt afgewezen wegens stabiele toestand en actieve medewerking betrokkene.