ECLI:NL:RBDHA:2026:989

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/697668 / KG RK 26-79
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan onderbouwing van vooringenomenheid rechters

Op 21 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker in een strafzaak. Het verzoek tot wraking was gebaseerd op de artikelen 5 lid 4 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikelen 126m en 326 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en artikelen 7 en 8 van het Unierecht. De verzoeker stelde dat er sprake was van vooringenomenheid van de rechters, maar de wrakingskamer oordeelde dat de verzoeker niet voldoende concrete feiten had aangedragen die deze vrees konden onderbouwen. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er bijzondere omstandigheden nodig zijn om aan te nemen dat deze onpartijdigheid in het geding is. Aangezien de verzoeker geen zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid had kunnen aanvoeren, werd het verzoek tot wraking afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken, en er werd bepaald dat het proces in de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/01
zaak- /rekestnummer: C/09/697668 / KG RK 26-79
Beslissing van 21 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
adres van inschrijving te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, S. Pereth en K.M. de Groes,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het mondelinge wrakingsverzoek staat vermeld in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 7 januari 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met parketnummer 09/319529-25 tegen verzoeker als verdachte. In die zaak vond op 7 januari 2026 een raadkamer plaats.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van wraking aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“Ik ga u wraken op grond van de Europese regelgeving
Ik verwijs naar het arrest 62022CJ0670 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De raadkamer mag niet marginaal toetsen. Een rechtmatigheidsverweer mag niet naar de hoofdzaak verwezen worden. Dit wordt uitgesproken door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Verder wil ik een beroep doen op artikel 326 lid 2 Sv. Door alle proces-verbalen blijkt weer dat ik alle bellen heb gerinkeld.
(…)
Ik ben uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat ik het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wil overtuigen over wat er misgaat in de Nederlandse rechtspraak. Ik wil bij mijn wrakingsverzoek blijven. Dan kan ik het Europees Hof voor de Rechten van de Mens laten zien hoe Nederland met zijn burgers omgaat. Ik zie dat in Nederland een modus operandi wordt gevoerd die niet in lijn is met het
EVRM.
Ik wraak de gehele rechtbank.
Ik wraak de rechtbank op grond van artikel 5 lid 4 EVRM en daarbij genomen hetgeen ik eerder in mijn rechtmatigheidsverweer heb gedaan. Er is sprake van onherstelbaar vormverzuim en er worden gegevens van mij gevorderd wat niet mag.
Verder wil ik een beroep doen op artikel 126m Sv en artikelen 7 en 8 van het Unierecht.
Het gaat mij om artikel 5 lid 4 EVRM. De zaak moet zo spoedig mogelijk behandeld worden, zodat ik bij de rechtbank direct kan aangeven waar het misgaat.
Dat moet ik zo spoedig mogelijk doen en dit is mijn eerste mogelijkheid om te doen.
Ik verzoek om wraking van alle leden van deze meervoudige raadkamer in strafzaken, met als grond dat hij een beroep doet op artikel 5 lid 4 EVRM.”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal, aan zijn wrakingsverzoek artikel 5 lid 4 EVRM, artikelen 126m en 326 lid 2 Sv en artikelen 7 en 8 Unierecht ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft echter verder niet onderbouwd hoe uit deze artikelen de vooringenomenheid van de rechters of de zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor is af te leiden. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer dit zou kunnen afleiden ontbreken. Ook blijkt uit het proces-verbaal niet dat de rechters iets hebben gezegd, laat staan dat zij aanleiding gaven voor de hiervoor genoemde vrees. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
3.3.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de officier van justitie mr. R. Joesoef Djamil;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.