Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/09/699097 / FA RK 26-1194
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 11 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 12 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 13 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot teruggeleiding kinderen wegens risico ondragelijke toestand bij terugkeer

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot teruggeleiding van twee minderjarige kinderen naar het buitenland, ingediend door de vader. De moeder was met de kinderen naar Nederland vertrokken vanwege intrekking van haar verblijfsvergunning in het buitenland. De vader had tijdelijk het eenhoofdig gezag over de kinderen gekregen en verzocht om onmiddellijke terugkeer van de kinderen, zonodig met inzet van dwang.

De rechtbank stelde vast dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland ongeoorloofd was in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag, waardoor in beginsel teruggeleiding volgt. Echter, de moeder voerde een weigeringsgrond aan op basis van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag, omdat terugkeer zou leiden tot een ondragelijke toestand voor de kinderen.

De rechtbank oordeelde dat de moeder aannemelijk had gemaakt dat zij niet terug kan keren naar het buitenland vanwege intrekking van haar verblijfsrecht en dat de kinderen bij terugkeer feitelijk van haar gescheiden zouden worden. Dit zou een ernstig risico op een ondragelijke toestand voor de kinderen opleveren, mede omdat de moeder de primaire verzorgende ouder is en de kinderen jong zijn. Ook gaf de oudste minderjarige aan niet van de moeder gescheiden te willen worden.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding af. De proceskosten werden gecompenseerd en de bijzondere curator werd opgedragen de uitspraak met de oudste minderjarige te bespreken. De beschikking is uitgesproken door drie kinderrechters op 19 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige kinderen naar het buitenland wordt afgewezen vanwege het ernstige risico op een ondragelijke toestand bij terugkeer.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1194
Zaaknummer: C/09/699097
Datum beschikking: 19 maart 2026

Internationale kinderontvoering

Beschikking in het kader van het op 5 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in [land 1] ,
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Stam in Breda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • de e-mail van 24 februari 2026 van het Mediation Bureau;
  • het verslag van de bijzondere curator van 3 maart 2026;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • het bericht van 4 maart 2026, met bijlagen, namens de vader.
Op 17 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk L. Makaddam, de moeder met mr. G.C. Salomons-Korteweg als waarnemend advocaat en tolk A. Fawzy, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, ook kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling op de zitting is aangehouden.
Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 24 februari 2026 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen heeft geresulteerd in een spiegelovereenkomst. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2026 is drs. J.L. van Wesemael-Smit benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1]
2018 in [geboorteplaats 1] .
De bijzondere curator is verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Wat geeft [minderjarige 1] zelf aan over een eventueel verblijf in [land 1] en een eventueel verblijf in Nederland?
In hoeverre lijkt [minderjarige 1] zich vrij te kunnen uiten?
In hoeverre lijkt [minderjarige 1] de gevolgen van het verblijf in [land 1] of het verblijf in Nederland te overzien?
Wil [minderjarige 1] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst [minderjarige 1] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator hierbij met [minderjarige 1] te bespreken dat het gesprek mogelijk met drie rechters gevoerd gaat worden (waarbij er mogelijk twee rechters via een beeldscherm deelnemen).
5. Ziet de bijzondere curator aanleiding om het kindgesprek online te houden?
6. Is het nodig dat er een tolk aanwezig is bij het kindgesprek en zo ja, in welke taal (en indien van toepassing welk dialect)?
7. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?
[minderjarige 1] heeft op 5 maart 2026 in het bijzijn van de bijzondere curator en een tolk haar mening gegeven over het verzoek in een gesprek met de voorzitter.
Op 5 maart 2026 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk M. Suleman, de moeder met haar advocaat en tolk Z. Iqaed, de bijzondere curator en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Namens de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum] 2016 in [plaats] , [land 1] .
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] , [land 1] .
  • Op 30 augustus 2025 is de moeder met de kinderen vanuit [land 1] naar Nederland vertrokken.
  • Op 23 september 2025 heeft het [landelijk(e)] [instantie] beslist dat de vader tijdelijk het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft.
  • De vader heeft de Syrische nationaliteit. De moeder en de kinderen hebben zowel de Syrische als de Nederlandse nationaliteit.
  • De vader heeft zich gewend tot de [landelijk(e)] Centrale autoriteit.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
  • de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bevelen, uiterlijk op 1 maart 2026, zonodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer van de kinderen op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, en te bevelen dat de moeder de kinderen op deze datum met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de kinderen zelf mee terug kan nemen naar [land 1] ;
  • te bepalen dat de Stichting Jeugdbescherming zal worden belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot het moment van afgifte aan de vader, danwel teruggeleiding naar [land 1] ;
  • de vader te machtigen, althans toestemming te verlenen, om de beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
  • (naar de rechtbank begrijpt) de moeder te veroordelen in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding;
  • de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en [land 1] zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel
11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van Pro het Verdrag).
Niet in geschil is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in [land 1] hadden. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend als de overbrenging niet had plaatsgevonden. Ook niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland en dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar [minderjarige 2] recht.
De moeder heeft aangevoerd dat zij geen keuze had en [land 1] moest verlaten, omdat haar verblijfsvergunning en in ieder geval ook die van [minderjarige 1] in [land 1] was ingetrokken. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van de moeder dat de vader hierom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot teruggeleiding. Uit het Verdrag blijkt namelijk niet dat een eventueel gedwongen vertrek uit een land als gevolg van de (ingetrokken) verblijfsstatus van een ouder of kind relevant is voor het oordeel of er sprake is van ongeoorloofde overbrenging.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van Pro het Verdrag
Op grond van artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland zijn geworteld en moet in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag.
De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en Pro artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, als de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op een andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.
De moeder stelt dat zij niet terug kan keren naar [land 1] . Haar verblijfsstatus was afhankelijk van het hebben van voldoende inkomen door de vader om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. De vader is zijn baan verloren, waardoor de verblijfsvergunning van de moeder is ingetrokken. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de moeder een brief van 11 februari 2025 van de Dienst voor Internationale Werving en Integratie in [land 1] overgelegd, waarin staat dat haar verblijfsrecht is beëindigd op
7 februari 2024 en dat zij uiterlijk op 11 maart 2025 [land 1] moet hebben verlaten. De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar dat bezwaar is afgewezen. Daarnaast stelt de moeder dat de vader structureel fysiek en emotioneel geweld heeft gepleegd tegen haar en dat de kinderen hiervan getuige zijn geweest. De vader heeft haar vaker met de dood bedreigd en haar gechanteerd met een door hem in scene gezette compromitterende video van de moeder. Voordat de moeder met de kinderen naar Nederland vertrok verbleef zij in een vrouwenopvang. Bovendien stelt de moeder dat er een reëel en concreet risico is dat de vader de kinderen naar [land 2] ontvoert, omdat hij hier herhaaldelijk mee heeft gedreigd.
De vader voert aan dat de moeder wel kan terugkeren naar [land 1] . Hij geeft aan dat de moeder [land 1] ondanks haar ingetrokken verblijfsvergunning kan inreizen, omdat zij een EU-burger is en dan zestig dagen de tijd heeft om een baan te zoeken om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en niet ten laste van het sociale stelsel te komen. Daarnaast geeft de vader aan dat [minderjarige 2] een zelfstandig verblijfsrecht in [land 1] heeft, omdat hij in [land 1] is geboren. Met betrekking tot [minderjarige 1] heeft de vader een
legal opinionvan een [landelijk(e)] jurist overgelegd, waaruit blijkt dat een minderjarige EU-burger in een andere lidstaat mag verblijven als het kind bij een ouder woont en afhankelijk is van die ouder, die ouder over voldoende middelen van bestaan beschikt en een zorgverzekering heeft die ook dit kind dekt. Volgens de vader wordt aan die voorwaarden voldaan en is zijn uitkering hiervoor voldoende. Daarnaast stelt vader dat hij voor de kinderen een ziektekostenverzekering heeft. De vader betwist dat er sprake is geweest van enige vorm van mishandeling en/of dreigementen door hem. Er was sprake van een warm en liefdevol gezinsleven. Bovendien zouden er in [land 1] adequate voorzieningen kunnen worden getroffen. Verder geeft de vader aan dat hij in [land 3] is opgegroeid en er geen risico is dat hij met de kinderen naar [land 2] zal verhuizen.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door hun terugkeer naar [land 1] in een ondragelijke toestand worden gebracht. De rechtbank licht dat als volgt toe.
De rechtbank acht het aannemelijk, gelet op de door de moeder overgelegde beslissing van 11 februari 2025, dat de moeder [land 1] moest verlaten en daardoor niet naar dat land kan terugkeren. De vader heeft aangegeven dat de moeder wel kan terugkeren, maar hij heeft zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Gebleken is dat de moeder bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van de Dienst voor Internationale Werving en Integratie in [land 1] en dat haar bezwaar is afgewezen. De vader heeft zelf in zijn verzoekschrift aangegeven dat de moeder (en [minderjarige 1] ) vóór 13 september 2025 [land 1] moest(en) verlaten. Nog los van de vraag of de kinderen kunnen terugkeren naar [land 1] zonder dat zij daar illegaal zouden verblijven, wat op basis van de overgelegde stukken niet vaststaat, is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval onvoldoende gebleken dat de moeder zich daadwerkelijk permanent of voor langere duur legaal in [land 1] kan vestigen. Uit genoemde beslissing blijkt dat de moeder geen inkomen in [land 1] heeft gehad. De moeder heeft geen werkervaring, beheerst de [landelijk(e)] taal niet althans onvoldoende en is de primaire verzorgende ouder van de kinderen. Daarom is het niet reëel om aan te nemen dat de moeder, ook al zou zij voor zestig dagen terug kunnen naar [land 1] , binnen deze door de vader gestelde beperkte tijdsperiode in [land 1] over voldoende middelen van bestaan zal beschikken zodat zij niet ten laste van het sociale stelsel zal komen en recht op een langer verblijf zal hebben. Er bestaat daardoor een aanzienlijk risico dat de kinderen bij een terugkeer naar [land 1] in een ondragelijke toestand terechtkomen, omdat zij dan feitelijk van de moeder gescheiden zullen worden. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de kinderen, en met name [minderjarige 2] , nog jong zijn en dat het gelet op het feit dat de moeder hun primaire verzorgende ouder is van belang is dat dit contact gewaarborgd blijft. Dat heeft de vader ook niet betwist. Verder overweegt de rechtbank dat [minderjarige 1] zowel bij de bijzondere curator als in het kindgesprek duidelijk heeft aangegeven dat zij absoluut niet van de moeder gescheiden wil worden.
De rechtbank concludeert gelet op het bovenstaande dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag slaagt. De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan een oordeel over het overig door de ouders gestelde. Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [land 1] en de daarmee samenhangende verzoeken worden afgewezen.
Opname spiegelovereenkomst
De ouders zijn in een spiegelovereenkomst twee regelingen overeengekomen, één voor het geval de teruggeleiding van de kinderen naar [land 1] zou worden gelast en één voor het geval het teruggeleidingsverzoek zou worden afgewezen. Aangezien door geen van de ouders een verzoek is gedaan ten aanzien van de spiegelovereenkomst kan de rechtbank hierover niets beslissen.
Proceskosten
De rechtbank zal gelet op de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met haar bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] , [land 1] ,
naar [land 1] ;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders door de vader verzochte;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 19 april 2026 als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. de Jong-Kwestro, E.D.A. Geleijns en T.M. Coppes, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 maart 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet Pro internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de zitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.