Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9939

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
C/09/700889 KG ZA 26-245
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:169 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopig uitsluitend gebruik woning toegekend aan vrouw na beëindiging samenhuur

Partijen, voormalig samenwonenden en medehuurders van een woning, zijn na beëindiging van hun affectieve relatie in geschil geraakt over het gebruik van de woning en de betaling van de huur.

De man vordert het uitsluitend gebruik van de woning met uitsluiting van de vrouw, betaling van een gebruiksvergoeding en een dwangsom bij niet-naleving. De vrouw vordert het uitsluitend gebruik van de woning met uitsluiting van de man en diens uitschrijving uit de basisregistratie personen.

De voorzieningenrechter weegt de belangen en oordeelt dat het belang van de vrouw zwaarder weegt vanwege haar permanente verblijf, gezondheidsproblemen, beperkte financiële middelen en het risico op dakloosheid. De vrouw krijgt het voorlopig uitsluitend gebruik toegewezen. De man krijgt een betaling van €3.320,- toegewezen als voorschot op de woonlasten die de vrouw nog moet voldoen. Proceskosten worden gecompenseerd. De vordering tot uitschrijving van de man wordt afgewezen wegens onvoldoende belang.

Uitkomst: Het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen aan de vrouw en zij wordt veroordeeld tot betaling van €3.320,- aan de man.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700889 KG ZA 26-245
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats],
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. L. van der Kam,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. M. Dickhoff.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 maart 2026 met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie van de vrouw met producties 1 tot en met 9;
- de schriftelijke reactie van de man van op de conclusie van antwoord met eis in reconventie.
1.2.
Op 7 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectie relatie gehad van eind december 2018 tot 23 juli 2025.
2.2.
De man is eigenaar geweest van een koopwoning in [plaats 1]. De vrouw is huurder geweest van een sociale huurwoning in [plaats 2]. Omdat partijen wilden gaan samenwonen in een andere woning, heeft de man zijn koopwoning in december 2024 verkocht. De sociale huurwoning die de vrouw huurde, is door middel van woningruil geruild voor de huurwoning aan het [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning), waarvan partijen per 1 maart 2024 samen medehuurders zijn geworden.
2.3.
Partijen zijn overeengekomen naar rato van hun inkomen bij te dragen aan de huur. De man betaalde twee derde deel van de huur en de vrouw een derde deel.
2.4.
Op 23 juli 2025 heeft een incident tussen partijen plaatsgevonden en is de affectieve relatie geëindigd. De vrouw is met de hond in de woning gebleven. De man heeft de woning verlaten en heeft vanaf dat moment, wanneer hij niet vanwege zijn werk in het buitenland verblijft, afwisselend bij familie, vrienden en in hotels verbleven.
2.5.
De man heeft de volledige huur vanaf juli 2025 voldaan. De vrouw heeft sindsdien geen huur meer betaald, ook niet aan de man.
2.6.
De man verblijft voor zijn werk zo’n tweeëneenhalve week per maand in het buitenland. De vrouw heeft haar werkzaamheden als schoonheidsspecialiste gestaakt en ontvangt een Wajong-uitkering.
2.7.
Op 10 september 2025 heeft de vrouw het volgende bericht op Facebook geplaatst:
“Ik wil graag een woningruil doen van mijn vrije sector woning naar een sociale huurwoning omdat ik de woning niet meer kan betalen. De huur is €1240. Het betreft een 5 kamer woning met voor en achtertuin in [plaats 2]. Graag in [regio] huur onder de €900 en graag instap klaar”
2.8.
Onder het bericht op Facebook zijn, voor zover relevant, de volgende reacties opgenomen:
[naam]: Vanaf 1-1-2026 kan je huurtoeslag krijgen! Zou deze woning echt niet opgeven
De vrouw: [naam] dan nog kan ik het niet betalenhuur is €1240 en inkomen €1340”
2.9.
Op 27 september 2025 heeft de man de vrouw per e-mail bericht dat hij per 4 oktober 2025 weer toegang tot de woning wenst. Daarnaast heeft de man aangegeven dat de vrouw haar deel van de huur per direct weer moet betalen en dat ook in de toekomst moet blijven doen. De man heeft verder aangegeven dat, indien de vrouw hiermee akkoord gaat, hij bereid is om af te zien van het huurdeel van de vrouw over een periode van drie maanden. Op 3 oktober 2025 heeft de vrouw het voorstel van de man afgewezen. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat zij in de woning wil blijven en dat de man zich moet uitschrijven zodat zij aanspraak op toeslagen kan maken om de huur te kunnen betalen.
2.10.
Op 4 februari 2026 heeft de man voorgesteld om het gebruik van de woning (tijdelijk) te delen. De vrouw zou in dat geval in de woning verblijven als de man voor zijn werk in het buitenland verblijft (ongeveer twee derde van de maand), terwijl de man in de woning verblijft als hij in Nederland is (ongeveer een derde van de maand). De vrouw heeft dit voorstel afgewezen.
2.11.
Op 6 februari 2026 heeft de gemeente de man bericht dat hij wordt uitgeschreven van het woonadres van de woning indien hij niet kan aantonen dat hij in de woning verblijft.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. het uitsluitend gebruik van de woning, met uitsluiting van de vrouw, aan de man toewijst;
II. de vrouw beveelt om de woning binnen 48 uur na betekening van het vonnis te verlaten met medeneming van de hare en onder afgifte van alle in haar bezit zijnde sleutels aan de man, en deze woning niet meer te betreden, bij gebreke waarvan de deurwaarder een volmacht krijgt om de vrouw te ontruimen;
III. de vrouw veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het onder I. en II. genoemde te voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;
IV. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een voorlopige gebruiksvergoeding, althans voorschot op de te verrekenen betaling van haar aandeel in de woonlasten van € 412,- per maand vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag van de feitelijke ontruiming door de vrouw en de man weer over de woning beschikt;
V. de vrouw veroordeelt in de werkelijke proceskosten;
VI. althans een zodanige bepaling als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vernemen te behoren.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen omdat hij al negen maanden de volledige huur en vaste lasten betaalt zonder dat hij in de woning woont en daarnaast zijn hotelovernachtingen moet bekostigen. Verder heeft de man vanwege zijn baan belang bij rust en stabiliteit op één vaste woonplek. Ook dreigt uitschrijving uit de BRP, hetgeen verstrekkende gevolgen heeft voor zijn arbeidsverhouding en zijn recht op de woning. Het voorlopige uitsluitende gebruik van de woning moet aan de man worden toegewezen, omdat hij de huur en vaste lasten wel kan betalen, terwijl de vrouw daar financieel niet toe in staat is. Daarnaast kan de vrouw een andere woning vinden vanwege haar inschrijfduur, terwijl de man geen andere woning kan huren of kopen in de randstad. De woning is essentieel voor de man vanwege de gunstige ligging ten opzichte van [locatie] en de uitvalswegen, hetgeen noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn beroep. Ook is de man verknocht aan de buurt, omdat zijn ouders in de buurt wonen en zijn boot vlakbij de woning ligt. Daarnaast maakt de man aanspraak op een voorlopige gebruiksvergoeding op grond van artikel 3:169 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) dan wel subsidiair op grond van artikel 6:10 e.v. BW. Ook is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid passend dat de vrouw de man compenseert voor haar verblijf in de woning voor de afgelopen 9 maanden, omdat zij nog niets heeft betaald en de man de volledige lasten heeft gedragen. Tot slot vordert de man betaling van zijn volledige proceskosten, omdat de vrouw bewust een impasse heeft gecreëerd en een minnelijke regeling onmogelijk heeft gemaakt.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. het uitsluitend gebruik van de woning met uitsluiting van de man, aan de vrouw toewijst;
II. beveelt dat de man zich binnen 48 uur na betekening van vonnis uitschrijft uit de basisregistratie personen van de [gemeente] van het adres van de woning, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag de man in gebreke blijft deze uitschrijving niet te doen.
3.5.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Het belang van de vrouw bij het voorlopige uitsluitende gebruik van de woning weegt zwaarder dan dat van de man. De vrouw is geboren in [plaats 2]. Zij huurt al 17 jaar een woning van dezelfde verhuurder in [plaats 2] en haar familie en vrienden wonen ook in [plaats 2]. De woning is verkregen doordat de vrouw haar sociale huurwoning heeft geruild voor deze woning. De vrouw heeft € 30.000,- aan spaargeld in de woning geïnvesteerd. Verder verblijft de vrouw continu in de woning, terwijl de man gemiddeld drie weken per maand in het buitenland verblijft vanwege zijn werk. De vrouw heeft op korte termijn geen zicht op alternatieve woonruimte, omdat zij een inschrijfduur van 9 jaar heeft en geen aanspraak op de doorstroomregeling kan maken als voorlopig uitsluitend gebruik van de woning aan de man wordt toegewezen. Zij laat dan immers geen woning achter. De vrouw kan niet bij haar ouders inwonen vanwege de medische situatie van haar moeder. Voor de man is het daarentegen makkelijker om een woning te vinden, vanwege zijn inkomen en het vermogen dat hij heeft overgehouden aan de verkoop van zijn woning. Tot slot is de vrouw in staat om de woonlasten te betalen, omdat zij aanspraak op toeslagen kan maken en omdat haar ouders garant willen staan voor de huur.
3.6.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
4.1.
Een aantal vorderingen in conventie en in reconventie leent zich voor een gezamenlijke behandeling.
Voorlopig uitsluitend gebruik van de woning – belangenafweging
4.2.
De spoedeisendheid van het belang van beide partijen bij toekenning van het uitsluitend gebruik van de woning volgt uit de aard van de vorderingen. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw en de man niet meer in de woning kunnen samenwonen. Partijen zijn beiden medehuurder van de woning, zodat zij in beginsel evenveel recht hebben op het gebruik van de woning. De vraag of het uitsluitend gebruik van de woning in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over de toekenning van het huurrecht aan de vrouw of de man moet worden toegekend, dient aan de hand van een belangenafweging te worden beantwoord.
4.3.
Beide partijen voeren aan dat hun belang bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan dat van de ander. Beide partijen hebben gemotiveerd en overtuigend gesteld dat zij belang hebben bij het uitsluitend gebruik van de woning. Zowel de man als de vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat de locatie van de woning voor hem/haar van groot belang is en dat het vinden van andere woonruimte in de buurt op korte termijn heel lastig is. De man heeft wel gesteld dat de vrouw gelet op haar inschrijfduur snel een andere woning moet kunnen vinden, maar dat heeft zij ter zitting gemotiveerd weersproken, zodat daarvan in het bestek van dit kort geding niet kan worden uitgegaan. De voorzieningenrechter zal moeten kiezen en komt tot het oordeel dat het belang van de vrouw bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning net iets zwaarder weegt dan dat van de man. Daartoe is het volgende redengevend. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen dat, zoals de man stelt, de vrouw niet in staat is om de woonlasten in haar eentje te betalen. Hoewel de vrouw in september 2025 op Facebook heeft geschreven dat zij de woning niet kan betalen, heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de woonlasten (toch) wel kan dragen omdat zij aanspraak kan maken op diverse toeslagen (onder andere omdat de mogelijkheid om huurtoeslag te krijgen is verruimd) en omdat haar ouders bereid zijn om garant te staan voor de huur en, zo heeft de voorzieningenrechter ter zitting begrepen, ook mee te betalen aan de huur. Aan de man kan worden toegegeven dat de vrouw geen bewijs van die bereidheid heeft overgelegd, maar er bestaat naar voorshands oordeel geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Bij die stand van zaken gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat beide partijen financieel in staat zijn om de woonlasten te dragen. Dan geeft de doorslag de combinatie van de volgende factoren: 1) de man verblijft elke maand tweeëneenhalve week in het buitenland voor zijn werk, en heeft dan (betaald) onderdak, terwijl de vrouw voor onderdak permanent op de woning is aangewezen; 2) de vrouw verkeert niet in goede gezondheid, zij lijdt aan een angststoornis waarvoor zij is afgekeurd en moet leven van een wajong-uitkering, terwijl de man een vaste baan en een ruim inkomen heeft, zodat de man geacht moet worden om (makkelijker dan de vrouw) een andere huur- of koopwoning te bemachtigen en in aanloop daar naartoe elders tijdelijk onderdak te bekostigen, zoals hij ook de afgelopen negen maanden heeft gedaan; 3) voorshands is aannemelijk dat de vrouw op straat komt te staan als zij niet in de woning mag blijven vanwege haar beperkte financiële mogelijkheden, de te korte inschrijfduur, de ziekte van haar moeder, terwijl dat niet geldt voor de man. Daarbij wordt nog overwogen dat de stelling van de man dat hij zijn baan dreigt te verliezen wanneer hij niet in de woning kan wonen en dan zal worden uitgeschreven, in het bestek van dit kort geding onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
4.4.
De conclusie is dat het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegewezen, zodat de vordering van de vrouw in reconventie die hierop ziet wordt toegewezen en de vorderingen van de man in conventie onder I., II. en III. worden afgewezen.
voorts in conventie:
Voorschot op aandeel in woonlasten
4.5.
De man vordert betaling van een voorlopige gebruiksvergoeding, althans een voorschot op de te verrekenen betaling van het gebruikelijke aandeel van de vrouw in de woonlasten ter hoogte van € 412,- per maand, vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag waarop de vrouw de woning feitelijk heeft ontruimd.
4.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uitgangspunt is dat de voorzieningenrechter zich richt naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of het in hoge mate te verwachten is dat een vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen en of het daarbij passend is om bij wijze van voorlopige voorziening op de bodembeslissing vooruit te lopen. Daarbij geldt dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de man op de vrouw voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.
4.7.
De vrouw heeft erkend dat partijen in het verleden zijn overeengekomen dat de man twee derde deel van de huur voor zijn rekening neemt en de vrouw een derde deel, alsmede dat de vrouw in verband met de huurbetalingen gelet op die afspraak (ten minste) een bedrag van € 3.320,- aan de man verschuldigd is voor de periode tot en met maart 2026. De vrouw betwist de vordering. Zij stelt zich op het standpunt dat deze kosten verrekend moeten worden met een drietal posten die zij voor haar rekening heeft genomen, te weten (1) € 30.000,- spaargeld van de vrouw dat in de woning is geïnvesteerd, (2) € 1.405,- aan medische kosten voor de hond van partijen, en (3) de verzekeringspremie van € 53,- per maand, zodat zij onder de streep niets aan de man verschuldigd is.
4.8.
De voorzieningenrechter is het met de man eens dat dit verrekeningsverweer niet slaagt. Zij overweegt daartoe allereerst dat het in de rede ligt dat de vrouw de volledige huur, althans een substantieel deel daarvan, aan de man terugbetaalt over de periode dat zij alleen in de woning heeft gewoond en hem daarin niet heeft toegelaten (dus vanaf eind juli 2025). Al die tijd heeft de man immers huur betaald voor een woning waar hij niet in kon en waar zij in woonde. De vrouw heeft in deze procedure onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij € 30.000,- aan spaargeld in de woning heeft geïnvesteerd. Dat de vrouw deze kosten heeft gemaakt volgt niet uit het door de vrouw overgelegde kostenoverzicht en facturen. De factuurbedragen corresponderen niet met de bedragen die de vrouw in het kostenoverzicht noemt. Daarnaast staat een aantal facturen op naam van de man en is een factuur tweemaal overgelegd. Bovendien heeft de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd op grond waarvan de helft dan wel een gedeelte van deze kosten voor rekening van de man zou moeten komen. Partijen zijn het er wel over eens dat de kosten voor de hond gezamenlijk moeten worden gedragen, maar de vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt welke bedragen zij ter zake heeft voldaan, die niet door de verzekering zijn vergoed terwijl de man er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat partijen een verzekering hebben afgesloten voor dierenartskosten. Ook is niet duidelijk wat de hoogte is van de maandelijkse ziektekostenverzekeringspremie, nu de vrouw eenmaal een bedrag van € 53,- heeft genoemd en eenmaal een bedrag van € 43,-, maar geen bewijsstukken heeft overgelegd. Tussenconclusie is dan ook dat de vrouw in elk geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in verband met voorgeschoten bedragen ter zake van de hond een vordering op de man heeft, die hoger is dan de vordering van de man op haar vanwege de door hem in de afgelopen maanden betaalde volledige huursom. De voorzieningenrechter kan daarom niet vaststellen dat het in hoge mate aannemelijk is dat een of meerdere verrekenposten van de vrouw ook in de bodemprocedure zal/zullen worden toegewezen en al helemaal niet dat die verrekening ertoe zal leiden dat daarmee ook de door haar erkende vordering van de man van € 3.320,- teniet is gegaan. Dit onderdeel van de vordering van de man zal daarom worden toegewezen als hierna te melden. Gelet op zijn precaire huisvestingssituatie, heeft de man daar ook een spoedeisend belang bij.
Proceskosten
4.9.
In de omstandigheid dat de man en de vrouw een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden om de proceskosten te compenseren.
voorts in reconventie:
Uitschrijving van het woonadres
4.10.
De vrouw vordert dat de man zich binnen 48 uur na betekening van het vonnis van het adres van de woning uitschrijft bij de basisregistratie personen van de [gemeente] op straffe van een dwangsom, omdat zij enkel aanspraak op huurtoeslag kan maken indien de man niet langer op het woonadres van de woning is ingeschreven en enkel in dat geval in staat is om de woonlasten te dragen.
4.11.
Uit de dagvaarding blijkt dat de gemeente onderzoek heeft ingesteld naar het woonadres van de man en dat hij van het woonadres zal worden uitgeschreven indien hij niet kan aantonen dat de woning zijn hoofdverblijfplaats is. Nu de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekomt, kan de vrouw met dit vonnis zelf bij de gemeente aantonen dat de hoofdverblijfplaats van de man niet langer in de woning is en kan de vrouw, voor zover nodig, op die manier bewerkstelligen dat de man wordt uitgeschreven van het woonadres van de woning. Bij deze stand van zaken heeft de vrouw onvoldoende belang bij de ingestelde vordering en de gevorderde dwangsommen, zodat deze worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
In de omstandigheid dat de man en de vrouw een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden om de proceskosten te compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw tot betaling van € 3.320,- aan de man;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.5.
bepaalt dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] te [plaats 2];
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
3556