ECLI:NL:RBDHA:2026:994

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
09-211136-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling in mishandelingszaak met gebruik van ammonia

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De zaak werd behandeld in een meervoudige kamer en vond plaats op tegenspraak. De verdachte, geboren in 1991, werd beschuldigd van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een ander, [naam 1], door ammonia in zijn gezicht te gooien, en van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van [naam 1] door de voordeur op slot te draaien. De rechtbank heeft het onderzoek gehouden op 10 oktober 2025 en 8 januari 2026. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van de tenlastelegging, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak op basis van noodweer. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de feiten 2 en 3, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte [naam 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid had beroofd en dat zij zich wederrechtelijk had toegeëigend. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan mishandeling door ammonia in het gezicht van [naam 1] te gooien. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest, en bepaalde dat de vordering tot schadevergoeding van [naam 1] niet-ontvankelijk was. De rechtbank verklaarde ook een fles ammonia verbeurd, die als wapen was gebruikt. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd omgezet in een taakstraf van 240 uur.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-211136-25 en 10-249249-21 (tul)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 oktober 2025 (pro forma) en 8 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B. Verheesen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw
mr. A.J.W.F. Segeren, namens mr. S. Plas, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [naam 1]
- tegen zijn lichaam heeft geschopt en/of
- met een hamer, althans een zwaar voorwerp tegen zijn been, althans zijn lichaam heeft geslagen en/of
- amoniak, althans een brandende en/of bijtende stof, in het gezicht heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [naam 1] heeft mishandeld, door die [naam 1]
- tegen zijn lichaam te schoppen en/of
- met een hamer, althans een zwaar voorwerp tegen zijn been te slaan en/of
- amoniak, althans een brandende en/of bijtende stof, in zijn gezicht te gooien;
2
zij op of omstreeks 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk
[naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door de voordeur van de woning aan de [adres 2] op slot te draaien en/of de
sleutels naar buiten te gooien, waardoor die [naam 1] geen mogelijkheid had om de woning te verlaten;
3
zij in of omstreeks 26 mei 20255 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, althans in Nederland één of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere betaalpassen toebehorend aan die [naam 2] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde sprake is van noodweer(exces) op grond waarvan de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.
3.3.
Vrijspraak feiten 2 en 3
Ten aanzien van feit 2
Uit het dossier kan ten aanzien van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving het volgende worden afgeleid.
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) had een nachtelijke afspraak met de verdachte. De medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) was die nacht ook in de woning van de verdachte aanwezig. De verdachte heeft, toen [naam 1] en [medeverdachte] in haar woning waren, op enig moment de voordeur op slot gedaan. De volgende ochtend is voornoemde afspraak in een conflict uitgelopen, terwijl de voordeur nog steeds op slot zat. [naam 1] is naar het balkon gegaan en riep naar omstanders dat hij werd geslagen. Ook had hij - naar later bleek - de sleutels van de woning in zijn hand en heeft hij deze naar beneden gegooid. Vervolgens heeft de politie de voordeur met de naar beneden gegooide sleutels geopend.
De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de verdachte de voordeur op slot heeft gedaan, niet zonder meer betekent dat [naam 1] daarmee wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Uit het dossier blijkt niet wat de concrete feiten en omstandigheden waren waardoor [naam 1] de woning niet kon verlaten. Hoewel er mogelijk een reden was waarom [naam 1] niet zelf de voordeur met de sleutels heeft geopend en is weggegaan, is die reden en het eventuele aandeel dat de verdachten daarin zouden hebben gehad niet, althans onvoldoende gebleken. Evenmin bieden de verklaringen van [naam 1] zelf hierover verdere duidelijkheid. Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank van oordeel is dat het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
Vaststaat dat de verdachte meermalen met de pinpas van de aangever [naam 2] (hierna: de aangever) heeft gepind. Volgens de aangever heeft de verdachte dat zonder zijn toestemming en medeweten gedaan. De verdachte heeft echter verklaard dat zij hiervoor wél toestemming had en dat dit mede was bedoeld als tegenprestatie voor de door haar verrichte werkzaamheden als sekswerker. De rechtbank overweegt dat dit alternatieve scenario niet kan worden weerlegd door de inhoud van het dossier, omdat het in feite gaat om het woord van de aangever tegenover het woord van de verdachte. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat het pinnen door de verdachte wederrechtelijk was, noch dat de verdachte het oogmerk had om zich iets wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte wordt daarom wegens het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025230787, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 247).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 16-18):
Op 10 juli 2025 omstreeks 10:15 uur werden wij, verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] , opgeroepen om te gaan naar de [adres 2] te Nieuwerkerk aan den IJssel. Alhier zou volgens melder een persoon op het balkon staan welke om hulp aan het schreeuwen was. Deze persoon zou overgoten zijn met ammoniak.
Ik hoorde de man op het balkon schreeuwen dat er een sleutelbos van de woning naar beneden was gegooid. Ik ben samen met de andere drie collega’s naar [adres 2] gegaan en collega [naam 3] heeft met de sleutel de woning geopend.
Ik zag links in de woning een vrouw zitten, die ik ambtshalve herken als de bewoonster van dit perceel, te weten [verdachte] .
Buiten aangekomen heeft mijn collega [verbalisant 2] zich ontfermt over de persoon welke overgoten was en ik ben in gesprek gegaan met [verdachte] . Ik hoorde haar zeggen dat zij een afspraak had met de persoon welke op het balkon stond. Ik hoorde haar zeggen dat zij ammoniak over hem heen had gegooid.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 24-26):
Op 10 juli 2025, omstreeks 10:15 uur, reden wij, verbalisanten, naar de [adres 2] te Nieuwerkerk aan den IJssel.
Vervolgens zijn wij, verbalisanten, samen met de eenheid DH7303 door middel van de sleutel de voordeur van de woning in gegaan. Ik, verbalisant [verbalisant 2] liep als laatste de woning binnen en rook een hevige benauwde lucht waardoor mijn keel begon te prikkelen en waardoor ik moest hoesten.
Ik zag dat de man, welke op het balkon om hulp had geroepen, vanuit de hal van de woning in de richting van de voordeur kwam lopen. De man bleek genaamd - [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [geboorteland] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , hoorde dat [naam 1] het volgende tegen mij verklaarde:
Toen ik deze ochtend wakker werd hoorde ik dat mijn vriendin zei dat ze eerst geld wilde voor de overnachting. Ik zei dat ik dat niet ging betalen.
Mijn vriendin gooide ammoniak in mijn gezicht. Alles doet pijn en mijn hele gezicht en nek branden erg.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 30):
Op donderdag 10 juli 2025 bevond ik mij aan de [adres 2] te Nieuwerkerk aan den IJssel. In het midden van de keukenvloer lag een witte fles waarop de tekst ‘ammonia’ stond.
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026, voor zover inhoudende:
De fles ammonia stond in de woonkamer. Ik heb de fles gepakt en gegooid.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte naar [naam 1] een fles met daarin ammonia heeft gegooid en dat [naam 1] deze stof over zich heen heeft gekregen, waaronder in zijn gezicht.
Opzet
De verdachte heeft ontkend dat zij opzet had op het gooien van de ammonia over [naam 1] . Ze zou niet hebben geweten dat de fles met ammonia open was.
De rechtbank overweegt dat de verdachte door de fles ammonia op tafel te zetten, nadat zij deze had gebruikt om in haar drugsbehoefte te voorzien - zoals zij ter terechtzitting heeft verklaard - daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dop van de fles niet goed was vastgedraaid of zelfs geheel open was. Door deze fles vervolgens gericht te gooien in de richting van [naam 1] , heeft zij tevens bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ammonia op hem terecht zou komen. De rechtbank stelt daarmee vast dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet had op het veroorzaken van pijn en letsel bij [naam 1] .
Medeplegen?
De raadsvrouw heeft verder naar voren gebracht dat geen sprake was van medeplegen met medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank is het daarmee eens en overweegt daartoe het volgende.
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] [naam 1] in de woning met een hamer op zijn knie heeft geslagen en hem heeft geschopt. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de verdachte heeft samengewerkt met [medeverdachte] om [naam 1] te mishandelen. Het dossier biedt namelijk onvoldoende feitelijkheden en concrete verklaringen om te kunnen vaststellen wie waar stond op het moment dat de fles ammonia werd gegooid en op welk(e) moment(en) [medeverdachte] [naam 1] heeft geschopt en met een hamer heeft geslagen. Daarmee kan enige nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en de verdachte niet worden vastgesteld, zodat de verdachte partieel van het bestanddeel medeplegen wordt vrijgesproken. Dit brengt ook met zich dat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van het slaan met de hamer en het schoppen, aangezien het slachtoffer heeft verklaard dat [medeverdachte] dat heeft gedaan.
Aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of door het gooien van ammonia in het gezicht van [naam 1] een aanmerkelijke kans bestond dat [naam 1] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend, omdat er is gegooid met ammonia, zijnde een sterk verdunde vorm van ammoniak, die naar algemene ervaringsregels slechts in uitzonderlijke gevallen leidt tot (bijvoorbeeld) ernstig oogletsel. De verdachte zal dan ook van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Noodweer(exces)
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat sprake was van noodweer dan wel noodweerexces wat betekent dat de verdachte – zo begrijpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw – ook van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling moet worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [naam 1] of een onmiddellijk gevaar daartoe. De omstandigheden dat [naam 1] in de woonkamer ‘dreigend’ naar de verdachte keek, schreeuwde, naar haar toe liep en dat de verdachte zich ‘niet op haar gemak voelde’, aldus de verdachte ter terechtzitting, zijn onvoldoende om een noodweersituatie te kunnen aannemen. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook integraal verworpen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, [naam 1] heeft mishandeld, door
ammoniain zijn gezicht te gooien.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 143 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd en verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd in voorarrest doorgebracht, met een voorwaardelijk strafdeel en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, met uitzondering van de klinische opname.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door ammonia in het gezicht van het slachtoffer te gooien, waardoor het slachtoffer pijn en letsel opliep. Daarmee heeft zij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Strafverzwarend is dat de verdachte ammonia als wapen heeft gebruikt. Geweldsdelicten brengen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving in het algemeen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan in een conflict over geld. Zij had dit anders moeten en kunnen oplossen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 oktober 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat zij in de afgelopen vijf jaren eerder voor een ernstig geweldsincident is veroordeeld. Bovendien liep zij in de proeftijd van de in die zaak forse voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Deze proeftijd heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich wederom aan een strafbaar feit schuldig te maken.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 december 2025, waaruit blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering heeft bij veroordeling van de verdachte geadviseerd haar een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen.
Als uitgangspunt bij de bepaling van de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (hierna: LOVS). Daarin is voor mishandeling met behulp van een slagwapen vermeld een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.
Met name vanwege de eerdere veroordeling, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles samengenomen, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke situatie van de verdachte en dat het voor haar wenselijk is dat zij - onder meer - in een ambulante setting wordt behandeld en onder toezicht van de reclassering komt te staan om het gevaar op herhaling in te perken, ziet de rechtbank voor oplegging van een bijkomend voorwaardelijk strafdeel geen ruimte. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte 97 dagen in voorarrest heeft gezeten, terwijl de rechtbank tot oplegging komt van een gevangenisstraf van kortere duur. Dat brengt verder met zich dat de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal opheffen.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1.
De vorderingen
[naam 1] heeft zich ter zake van feit 1 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.350,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.
[naam 2] heeft zich ter zake van feit 3 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.339,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [naam 1] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidverklaring, aangezien de vordering niet door de benadeelde partij is onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [naam 2] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van
€ 85,65, aangezien dit deel van de vordering genoegzaam is onderbouwd. De rest van de vordering moet volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een gebrek aan onderbouwing.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraken primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair is verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het ontbreken van een onderbouwing.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van [naam 1]
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering door de verdachte is betwist en door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering op een later moment bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Ten aanzien van de vordering van [naam 2]
De rechtbank zal de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het onder 3tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een fles (ammonia), zal worden verbeurdverklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet over het inbeslaggenomen voorwerp uitgelaten.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde goed verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het voorwerp aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 10 september 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 10-249249-21 door meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam op
7 november 2022 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 20 maanden volledig ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair is verzocht de proeftijd te verlengen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging deels toegewezen moet worden, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich namelijk voor het einde van de (reeds eerder verlengde) proeftijd wederom schuldig gemaakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit. De rechtbank weegt mee dat sprake is van een oudere veroordeling uit 2022 voor een feit uit 2021 waarvan de proeftijd inmiddels is verlopen. Dat de verdachte in de onderhavige strafzaak langer in voorarrest heeft gezeten dan de duur van de op te leggen gevangenisstraf, is voor de rechtbank verder reden om de deels ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in een taakstraf om te zetten. De rechtbank zal dan ook de tenuitvoerlegging van vier maanden gevangenisstraf gelasten en die omzetten in een taakstraf van 240 uur conform de LOVS-afspraken.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
feit 1 subsidiair:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
TWEE (2) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
bepaalt dat de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
verklaart verbeurd één fles ammonia (beslaglijst onder 1);
gelast, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven van een gedeelte van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 7 november 2022, gewezen onder parketnummer 10-249249-21, te weten een
gevangenisstrafvoor de duur van
VIER (4) MAANDEN:
een
taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
TWEEHONDERDVEERTIG (240) UREN, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. G.P Verbeek, rechter,
mr. S.N. Mentrop-Huliselan, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.