Eiseres, van Salvadoraanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister op 18 september 2025 is afgewezen. Zij stelde dat zij vanwege haar cerebrale parese en de daarmee samenhangende discriminatie in haar land van herkomst bescherming behoefde. De rechtbank heeft het beroep van eiseres samen met dat van haar moeder en stiefvader behandeld, waarbij eiseres zelf niet aanwezig was.
De minister achtte het eerste asielmotief geloofwaardig maar oordeelde dat de discriminatie niet zodanig ernstig was dat zij sociaal en maatschappelijk niet kon functioneren. Ook was er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Eiseres overwoog dat zij medische problemen had, maar kon dit niet onderbouwen met documenten. De rechtbank volgde de minister in deze beoordeling en concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht was.
De rechtbank nam de overwegingen uit de zaken van de moeder en stiefvader over, aangezien het asielrelaas van eiseres daarvan afhankelijk was. De rechtbank wees het beroep af en verleende geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Overmars en griffier Derks en is openbaar gemaakt op 28 april 2026.