ECLI:NL:RBDHA:2026:995

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
09-211137-25 en 10-238494-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling in mishandelingszaak met gebruik van een hamer

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De zaak betrof een incident dat plaatsvond op 10 juli 2025 in Nieuwerkerk aan den IJssel, waarbij de verdachte, samen met een medeverdachte, de benadeelde [slachtoffer] zou hebben mishandeld door hem te schoppen en met een hamer te slaan. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting gehouden op 10 oktober 2025 en 8 januari 2026. De officier van justitie heeft gevorderd tot bewezenverklaring van de tenlastelegging, terwijl de verdediging vrijspraak heeft bepleit. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld, maar heeft de verdachte vrijgesproken van de beschuldiging van wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat niet bewezen kon worden dat de verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en heeft de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de inbeslaggenomen hamer verbeurd verklaard. De rechtbank heeft ook een taakstraf van 200 uur opgelegd in plaats van een voorwaardelijke gevangenisstraf, vanwege het niet naleven van de voorwaarden van een eerdere veroordeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-211137-25 en 10-238494-23 (tul)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Tegenspraak (art. 279 Wetboek van Strafvordering)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1], [postcode] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 oktober 2025 (pro forma) en 8 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B. Verheesen en van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman
mr. G.A.J. Purperhart naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
- tegen zijn lichaam heeft geschopt en/of
- met een hamer, althans een zwaar voorwerp tegen zijn been althans zijn lichaam heeft geslagen en/of
- amoniak, althans een brandende en/of bijtende stof, in het gezicht heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- tegen zijn lichaam te schoppen en/of
- met een hamer, althans een zwaar voorwerp tegen zijn been te slaan en/of
- amoniak, althans een brandende en/of bijtende stof, in zijn gezicht te gooien;
2
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door de voordeur van de woning aan de [adres 2] op slot te draaien en/of de sleutels naar buiten te gooien, waardoor die [slachtoffer] geen mogelijkheid had om de woning te verlaten.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. De raadsman heeft subsidiair verzocht de verdachte in elk geval vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, medeplegen en het gooien van ammoniak.
3.3.
Vrijspraak feit 2
Uit het dossier kan ten aanzien van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving het volgende worden afgeleid.
[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) had een nachtelijke afspraak met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). De verdachte was die nacht ook in de woning van [medeverdachte] aanwezig. [medeverdachte] heeft, toen [slachtoffer] en de verdachte in haar woning waren, op enig moment de voordeur op slot gedaan. De volgende ochtend is voornoemde afspraak in een conflict uitgelopen, terwijl de voordeur nog steeds op slot zat. [slachtoffer] is naar het balkon gegaan en riep naar omstanders dat hij werd geslagen. Ook had hij - naar later bleek - de sleutels van de woning in zijn hand en heeft hij deze naar beneden gegooid. Vervolgens heeft de politie de voordeur met de naar beneden gegooide sleutels geopend.
De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat [medeverdachte] de voordeur op slot heeft gedaan, niet zonder meer betekent dat [slachtoffer] daarmee wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Uit het dossier blijkt niet wat de concrete omstandigheden waren waardoor [slachtoffer] de woning niet kon verlaten. Hoewel er mogelijk een reden was waarom [slachtoffer] niet zelf de voordeur met de sleutels heeft geopend en is weggegaan, is die reden en het eventuele aandeel dat de verdachten daarin zouden hebben gehad niet, althans onvoldoende gebleken. Evenmin bieden de verklaringen van [slachtoffer] zelf hierover verdere duidelijkheid. Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank van oordeel is dat het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025230787, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 247).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 16-18):
Op 10 juli 2025 omstreeks 10:15 uur werden wij, verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2], opgeroepen om te gaan naar de [adres 2] te Nieuwerkerk aan den IJssel. Alhier zou volgens melder een persoon op het balkon staan welke om hulp aan het schreeuwen was.
Ik hoorde de man op het balkon schreeuwen dat er een sleutelbos van de woning naar beneden was gegooid. Later hoorde ik iemand roepen dat de sleutelbos al opgeraapt was. Ik ben samen met de andere drie collega’s naar [huisnummer] van de [straatnaam 1] gegaan en collega [naam 1] heeft met de sleutel de woning geopend.
Ik heb de aanwezige personen gevraagd de woning te verlaten. Dit ging om drie personen, te weten [medeverdachte], [verdachte] en nog een manspersoon welke ik op het balkon had zien staan.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 24-26):
Op donderdag 10 juli 2025, omstreeks 10:15 uur, kregen wij, verbalisanten,
de opdracht te gaan naar de [adres 2] te Nieuwerkerk aan den IJssel. Wij, verbalisanten, kwamen omstreeks 10:30 uur ter plaatse.
Ik zag dat de man, welke op het balkon om hulp had geroepen, vanuit de hal van de woning in de richting van de voordeur kwam lopen.
De man bleek genaamd
- [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [land]. Ik, verbalisant [verbalisant 2], hoorde dat [slachtoffer] het volgende tegen mij verklaarde: "Ik kwam een bekende vriendin, die hier boven woont tegen en vroeg of ik bij haar mocht slapen. Toen ik deze ochtend wakker werd wilde ik weg gaan maar ik merkte dat ik de woning niet uit kon omdat de voordeur op slot was gedraaid. Ik hoorde dat mijn vriendin zei dat ze eerst geld wilde voor de overnachting. Ik zag dat er op dat moment ook een donker getinte man naast mijn vriendin stond. Ik zei dat ik dat niet ging betalen. Hierop begon de man mij te slaan met een hamer.”
3. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlage, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 55):
Op donderdag 10 juli 2025 was ik, verbalisant [verbalisant 3], belast met het onderzoek naar
een mishandeling gepleegd op 10 juli 2025 te Nieuwerkerk aan den IJssel. Op 10 juli 2025 bevonden collega [naam 2] en ik ons in het [ziekenhuis] in Capelle aan den IJssel.
Ik, verbalisant, zag dat [slachtoffer] op de linkerkant van zijn rug, ter hoogte van zijn
ribbenkast, een rode verkleuring had. Ik zag dat er rondom de rode verkleuring een
groen/blauwe verkleuring zat. Verder hoorde ik dat [slachtoffer] zei dat hij een wond op zijn knie had van de hamer, en dat hij met de hamer op zijn knie was geslagen. Ik zag dat [slachtoffer] op zijn rechterknie, een wond had zitten.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], opgemaakt op 10 juli 2025 , voor zover inhoudende (p. 109-110):
Op donderdag 10 juli 2025 was ik aan het werk bij basisschool [schoolnaam], aan de [straatnaam 2] in Nieuwerkerk aan den IJssel. Ik heb zicht door de ramen op de straat en de achterzijde van het flatgebouw aan de [straatnaam 1] in Nieuwerkerk aan de IJssel. Omstreeks 10:10 uur hoorde ik plots hard geroep om hulp van buiten komen. Ik keek door de ramen en ik zag een man met zijn bovenlichaam hangen uit een raam op de derde verdieping van het flatgebouw aan de [straatnaam 1].
Ik zag dat de man van achteren, vanuit de woning, heel hard getrapt werd door een andere man.
5. Het geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 48):
In de woning trof ik de hamer aan op het balkon aan de voorzijde van de woning.
6. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 10 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 174):
Op donderdag 10 juli 2025 om 10:45 uur werd door mij op de locatie [adres 2] te Nieuwerkerk ad IJssel, aanhouden als verdachte:
Voornamen : [verdachte]
Achternaam : [verdachte].
3.5.
Bewijsoverwegingen
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte, [slachtoffer] met een hamer heeft geslagen en hem heeft geschopt. De rechtbank gebruikt – in weerwil van het pleidooi van de raadsman - de verklaringen van [slachtoffer] ten overstaan van de politie voor het bewijs, omdat deze verklaringen worden ondersteund door andere, objectieve bewijsmiddelen, namelijk het bij [slachtoffer] waargenomen letsel, de op het balkon aangetroffen hamer en de bevindingen met betrekking tot de aanwezigheid van de verdachte in de woning ten tijde van het incident.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uitgesloten is dat een andere onbekend gebleven man voornoemde geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. Immers waren [slachtoffer], de verdachte en de vrouwelijke medeverdachte [medeverdachte] de enige drie personen in de woning. Het feit dat de getuige een signalement van een man heeft opgegeven dat niet volledig bij de verdachte past, beschouwt de rechtbank dan ook niet als een ontlastend gegeven.
De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat geen sprake was van medeplegen met medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank is het daarmee eens en overweegt daartoe het volgende.
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] in de woning een fles ammonia naar [slachtoffer] heeft gegooid en dat hij deze stof over zich heen heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de verdachte heeft samengewerkt met [medeverdachte] om [slachtoffer] te mishandelen. Het dossier biedt namelijk onvoldoende feitelijkheden en concrete verklaringen om te kunnen vaststellen wie waar stond op het moment dat de fles ammonia werd gegooid en op welk(e) moment(en) de verdachte [slachtoffer] heeft geschopt en met een hamer heeft geslagen. Daarmee kan enige nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en de verdachte niet worden vastgesteld, zodat de verdachte partieel van het bestanddeel medeplegen wordt vrijgesproken. Dit brengt ook met zich dat de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het gooien van ammonia(k), aangezien zowel het slachtoffer als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat [medeverdachte] dat heeft gedaan.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of door het schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer] en het met een hamer tegen het been van [slachtoffer] te slaan, de kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Dergelijk geweld leidt in de regel niet tot zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier blijkt verder niet hoe vaak, hoe hard en hoe gericht de verdachte, [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen met een hamer. De verdachte zal dan ook van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hijop 10 juli 2025 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- tegen zijn lichaam te schoppen en
- met een hamer tegen zijn been te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd en voorgesteld dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd in voorarrest doorgebracht en een voorwaardelijk strafdeel gecombineerd met een taakstraf wordt opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer, een voor hem onbekende man, te schoppen en te slaan, waardoor het slachtoffer pijn en letsel opliep. Daarmee heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Strafverzwarend is dat de verdachte bij de mishandeling een hamer als wapen heeft gebruikt. Verder heeft de verdachte het slachtoffer op klaarlichte dag zodanig mishandeld in de woning van de medeverdachte, dat omstanders ongewild met een deel van het geweld en de nasleep daarvan zijn geconfronteerd. Dergelijke geweldsdelicten brengen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving in het algemeen. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.
Als uitgangspunt bij de bepaling van de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (hierna: LOVS). Daarin is voor mishandeling met behulp van een slagwapen vermeld een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 december 2025. Strafverzwarend is dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige strafbare feit al twee keer is veroordeeld voor ernstige geweldsmisdrijven en in een proeftijd van een forse (deels) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf liep. Deze proeftijd heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich wederom aan een strafbaar feit schuldig te maken.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 4 november 2025, waaruit blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering heeft bij veroordeling van de verdachte geadviseerd bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen, te weten een behandelverplichting en een contactverbod met het slachtoffer.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles samengenomen, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
Voor oplegging van een bijkomende voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen ruimte. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte 97 dagen in voorarrest heeft gezeten, terwijl de rechtbank tot oplegging komt van een gevangenisstraf van kortere duur. Dat brengt verder met zich dat de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal opheffen.

7.De vordering van de benadeelde partij

7.1.
De vordering
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.350,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de vordering, aangezien de vordering niet door de benadeelde partij is onderbouwd.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering door de verdachte is betwist en door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering op een later moment bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om dat de inbeslaggenomen hamer (registratienummer PL1500-2025230304-11) zal worden verbeurdverklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet over het inbeslaggenomen voorwerp uitgelaten.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen hamer met voornoemd registratienummer verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan en niet kan worden vastgesteld aan wie het voorwerp toebehoort.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 10 september 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 10-238494-23 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam op 27 maart 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van zes maanden volledig ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, vanwege de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen, dan wel (deels) de tenuitvoerlegging te gelasten en de gevangenisstraf naar een taakstraf om te zetten.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging deels toegewezen moet worden, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich namelijk voor het einde van de proeftijd wederom schuldig gemaakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Dat de verdachte in de onderhavige strafzaak langer in voorarrest heeft gezeten dan de duur van de op te leggen gevangenisstraf is voor de rechtbank echter reden om de deels ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in een taakstraf om te zetten. De rechtbank zal dan ook de tenuitvoerlegging van drie maanden gevangenisstraf gelasten en die omzetten in een taakstraf van 200 uur conform de LOVS-afspraken.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
feit 1 subsidiair:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
TWEE (2) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
verklaart verbeurd een hamer (registratienummer PL1500-2025230304-11);
gelast, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven van een gedeelte van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 27 maart 2024, gewezen onder parketnummer 10-238494-23, te weten een
gevangenisstrafvoor de duur van
DRIE (3) MAANDEN:
een
taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
TWEEHONDERD (200) UREN, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. G.P Verbeek, rechter,
mr. S.N. Mentrop-Huliselan, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.