Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. P.M. van Wattum,
1.[gedaagde partij sub 1] B.V.,hierna: [gedaagde partij sub 1] ,2. [gedaagde partij sub 2] B.V.,hierna: [gedaagde partij sub 2] ,
gedaagde partijen,
gemachtigd namens beiden: mr. P. Smit.
1.Procedure
- de dagvaarding van 17 september 2025 met producties 1 t/m 14;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 12.
2.Feiten
Artikel 51. De werknemer wordt ingedeeld in loongroep 2, het bruto salaris van de werknemer bedraagt € 17,67 per uur inclusief CAO-verhogingen van 1 januari 2025 en 1 juli 2025. (…)
Vanochtend (23 december 2024) is [naam 1] op de zaak gekomen met in zijn hand het ‘addendum op arbeidsovereenkomst’. [naam 1] heeft mij deze gegeven en aangegeven dat ik deze moest doorlezen en vervolgens moest ondertekenen. Ik heb aangegeven dat voordat ik wilde tekenen eerst dit document naar huis wilde meenemen en later wilde ondertekenen zodat ik dit kon overleggen met mijn naaste. Ik ben in dit soort zaken minder thuis en ben ook in bepaalde mate woordenblind als ik dit zo op papier zie staan. Dit heb ik ook bij jou aangegeven. Jij hebt aangegeven dat ik mij geen zorgen hoefde te maken en dat alles hetzelfde zou blijven zoals het was en ik dus gewoon zou kunnen tekenen. Ik zou ook niet worden overgenomen door de nieuwe eigenaar als ik niet zou tekenen. Hier schrok ik van en heb getekend zonder dat ik mij bewust was van de exacte consequenties van het ‘addendum op de arbeidsovereenkomst’.
3.Vordering, grondslag en verweer
4.Beoordeling
voor rechtverklaren dat het addendum ‘op oneigenlijke gronden’ is ondertekend, omdat dit op zichzelf geen juridische betekenis heeft. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter uit de overige stellingen van [eisende partij] afleidt dat hij bedoeld heeft te stellen dat het addendum is tot stand gekomen onder misbruik van omstandigheden en daarom bij de brief van 3 april 2025 buitengerechtelijk is vernietigd. Omdat deze stelling ook relevant is voor de toewijsbaarheid van de door [eisende partij] gevorderde verklaring voor recht dat zijn salaris moet worden verhoogd met de CAO-verhogingen van 2025 en moet worden betaald op basis van een 40-urige werkwerk, alsook voor de vordering tot betaling van achterstallig salaris, zal de kantonrechter deze stelling – voor zover nodig onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden in de zin van artikel 25 Rv Pro – in het volgende beoordelen.
minimaalbasisuurloon voorschrijft. Het staat partijen dus vrij om een hoger uurloon overeen te komen dan in de CAO vastgelegd. Artikel 18 van Pro de CAO, waarin de loonsverhogingen per 1 januari 2025, 1 juli 2025 en 1 januari 2026 zijn vastgelegd, bevat ook een bepaling waarin is voorgeschreven hoe de CAO-verhogingen doorgevoerd moeten worden in het geval het overeengekomen loon hoger is dan het geldende basisuurloon. In dat geval moeten de CAO-verhogingen worden doorgevoerd over het deel van het loon dat als basisuurloon geldt.
inclusiefde CAO-verhogingen van 2025 te zijn. Het gevolg hiervan is feitelijk dat [gedaagde partij sub 1] de aanspraken van [eisende partij] op de CAO-verhogingen van 2025 volledig heeft willen uitsluiten, terwijl hij op grond van artikel 18 van Pro de CAO recht had op (in ieder geval) een verhoging van het deel van zijn salaris dat als basisuurloon geldt voor zijn loon- en functiegroep. Voor zover [eisende partij] zich al niet op vernietiging van het (volledige) addendum had beroepen, is in ieder geval dit beding daarom nietig (artikel 12 lid 1 Wet Pro op de collectieve arbeidsovereenkomst).
€ 144,00(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing)