ECLI:NL:RBDOR:2000:AF0322

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
1 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R 15/00
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.C.J. de Heij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw bij lening

Op 1 februari 2000 diende verzoeker een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank Dordrecht. De schuldsanering werd op 9 februari 2000 voorlopig van toepassing verklaard. Tijdens een zitting op 23 februari 2000 werd nader onderzoek gedaan naar een vordering van de Kredietbank Utrecht op verzoeker.

Uit het onderzoek bleek dat verzoeker in november 1999 een verklaring ex art. 285 lid 1 Fw Pro had aangevraagd bij de Kredietbank. Vervolgens vroeg hij op 2 januari 2000 een persoonlijke lening aan zonder melding te maken van zijn en zijn echtgenote's bestaande schulden van circa f.280.000,-, terwijl dit op het aanvraagformulier wel gevraagd werd. Op 18 januari 2000 verstrekte de Kredietbank een lening van f.8.000,-.

Verzoeker stelde dat hij niet opnieuw schulden hoefde te melden omdat de Kredietbank die al kende en dat hij te goeder trouw had gehandeld. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat verzoeker niet te goeder trouw was omdat hij zich bewust moest zijn dat de Kredietbank de lening niet zou verstrekken als zij van de schuldenlast op de hoogte was geweest. De verstrekking van de lening was te wijten aan interne communicatieproblemen bij de Kredietbank.

Gezien de niet te goeder trouw handelwijze en de hoogte van de schuld wees de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen bij het aangaan van de lening.

Uitspraak

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht,
enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken;
Op 1 februari 2000 is ter griffie binnengekomen een verzoekschrift met bijlagen van X., wonende te P.,
strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Bij vonnis van 9 februari 2000 is de schuldsanering voorlopig van toepassing verklaard.
Op de zitting van 23 februari 2000 heeft de rechtbank nader onderzoek gedaan naar de vordering op verzoeker van de Kredietbank Utrecht. Bij die gelegenheid zijn verzoeker, de bewindvoerder en de Kredietbank gehoord.
Omtrent de feitelijke gang van zaken is het volgende gebleken.
In november 1999 heeft verzoeker zich gewend tot de Kredietbank voor afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro e van de Faillissementswet. De aanvraag is in behandeling genomen. Op 2 januari 2000 heeft verzoeker zich wederom tot de Kredietbank gewend, dit keer met een aanvraag van een persoonlijke lening van f.15.000,-. Hoewel op het aanvraagformulier wordt gevraagd naar elders lopende verplichtingen/schulden en verzoeker en zijn echtgenote een schuldenlast hebben van circa f.280.000,-, is daarvan op het aanvraagformulier geen opgave gedaan. Op 18 januari 2000 is door de Kredietbank een persoonlijke lening verstrekt van F 8.000,-, terug te betalen in 60 maandelijkse termijnen. De gevraagde verklaring is op 27 januari 2000 afgegeven. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is op 1 februari 2000 bij deze rechtbank ingekomen.
Verzoeker heeft het standpunt ingenomen dat het niet nodig was wederom opgave te doen van de schulden die hij en zijn echtgenote hebben, omdat die gegevens al bij de Kredietbank bekend waren. Hij meent te goeder trouw gehandeld te hebben.
De rechtbank is het met dat standpunt niet eens. Duidelijk is dat verzoeker bij het aangaan van de lening niet de bedoeling gehad kan hebben het geleende bedrag daadwerkelijk terug te betalen aan de Kredietbank. Hij had moeten beseffen dat de Kredietbank onder deze omstandigheden uiteraard niet bereid zou zijn de lening te verstrekken. Dat de lening niettemin verstrekt is, berust -zoals ter zitting door de Kredietbank is toegelicht- op een gebrek aan communicatie tussen de verschillende afdelingen binnen de Kredietbank . Dit had verzoeker volstrekt duidelijk moeten zijn. In ieder geval had hij dienen na te gaan of de Kredietbank op de hoogte was van de omstandigheden waaronder de lening werd verstrekt.
Gelet op het voorgaande kan verzoeker ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Kredietbank niet als te goeder trouw worden aangemerkt. Mede gelet op de hoogte van de schuld, is dit reden het verzoek af te wijzen.
Beslissing:
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C.J. de Heij, lid van voornoemde kamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.