Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDOR:2001:AB0930

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
6 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
311/1999
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.G.J. de Heij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 5 FaillissementswetArt. 63 FaillissementswetArt. 313 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsanering wegens overlijden schuldenaar en afwikkeling gemeenschap van goederen

De rechtbank Dordrecht heeft bij vonnis van 6 april 2001 de schuldsanering van een schuldenaar beëindigd wegens diens overlijden op 5 augustus 2000. Volgens artikel 350 lid 5 van Pro de Faillissementswet zou de nalatenschap van rechtswege in staat van faillissement komen bij overlijden van de schuldenaar. Echter, de schuldenaar was gehuwd in gemeenschap van goederen, waardoor de schuldsaneringsregeling ook op de weduwe van toepassing bleef.

De rechtbank overwoog dat het niet systematisch is om zowel de gemeenschap van goederen in het faillissement van de nalatenschap als in de voortgezette schuldsanering van de weduwe te betrekken. Daarom werd geoordeeld dat de gemeenschap van goederen binnen de schuldsanering wordt afgewikkeld en dat de nalatenschap niet automatisch failliet wordt verklaard. Hierdoor hoeft geen curator te worden aangesteld en wordt het salaris van de bewindvoerder pas vastgesteld bij het einde van de schuldsanering van de weduwe.

De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd en gewezen op het recht van hoger beroep binnen acht dagen via een advocaat bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Uitkomst: De schuldsanering van de overleden schuldenaar wordt beëindigd en de nalatenschap wordt niet failliet verklaard, waarbij de gemeenschap van goederen binnen de schuldsanering wordt afgewikkeld.

Uitspraak

Tussentijdse beëindiging schuldsanering
Insolventienummer : 311/1999
Nummer verklaring: KOR01199068
uitspraakdatum: 6 april 2001
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT
ENKELVOUDIGE KAMER
Bij vonnis van deze kamer van 15 december 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:
wijlen [schuldenaar],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
laatstelijk wonende te [woonplaats].
De rechter-commissaris heeft de schuldsanering voorgedragen voor beëindiging op de grond dat de schuldenaar op 5 augustus 2000 is overleden.
Overlijden van de schuldenaar dient naar het oordeel van de rechtbank te leiden tot beëindiging van de regeling omdat de schuldenaar de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet meer kan nakomen. Voor een dergelijke beëindiging bepaalt artikel 350 lid 5 Faillissementswet Pro dat de nalatenschap alsdan van rechtswege in staat van faillissement verkeert.
De schuldenaar was gehuwd in gemeenschap van goederen. Op de weduwe blijft de schuldsaneringsregeling van toepassing. Faillissement van de nalatenschap zou derhalve betekenen dat de gemeenschap van goederen zowel in het faillissement als in de voortdurende schuldsaneringsregeling van de weduwe betrokken zou moeten worden (artikelen 63 en 313 Faillissementswet). Uit een oogpunt van systematiek van de wet is dat niet goed denkbaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat in een geval als het onderhavige geldt dat de gemeenschap van goederen in de schuldsaneringsregeling wordt afgewikkeld en dat de nalatenschap niet van rechtswege in staat van faillissement verkeert. Daarom hoeft thans geen curator te worden aangesteld en wordt het salaris van de bewindvoerder pas vastgesteld bij beëindiging van de op de weduwe van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling.
BESLISSING
De rechtbank:
beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. P.G.J. de Heij, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekomt, uitsluitend via een advocaat en procureur binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te 's-Gravenhage