ECLI:NL:RBDOR:2003:AL6311
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nietig ontslag op staande voet wegens ontbreken dringende reden en loonbetaling
De werknemer trad op 9 oktober 2000 in dienst bij de werkgever als verkoper. De arbeidsovereenkomst werd aanvankelijk voor zes maanden gesloten en daarna twee keer met een jaar verlengd. Op 22 augustus 2002 werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering en het niet opvolgen van redelijke bevelen. De werknemer betwistte dit ontslag en stelde dat er geen dringende reden was, waardoor het dienstverband voortduurde en hij recht had op loonbetaling.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer zich op 19 augustus 2002 terecht ziek had gemeld en dat de werkgever geen Arbo-arts had ingeschakeld om de geschiktheid voor arbeid te beoordelen. Het niet ingaan op een uitnodiging voor een gesprek kon niet worden gezien als hardnekkige weigering. Daarom was er geen dringende reden voor ontslag op staande voet en was het ontslag nietig.
De arbeidsovereenkomst liep door tot 8 april 2003, waarna deze rechtsgeldig eindigde. De werknemer had recht op loonbetaling over deze periode, maar vanwege inkomsten elders werd het loon beperkt tot 75% van het bruto bedrag. Daarnaast werd een wettelijke verhoging van 10% en wettelijke rente toegewezen. De vordering van de werkgever tot terugbetaling van een geldlening werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van het netto loon, vermeerderd met vakantietoeslag, wettelijke verhoging en rente, en wees de proceskosten toe aan de werknemer. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard en de werkgever is veroordeeld tot betaling van 75% van het loon over de periode tot 8 april 2003.