ECLI:NL:RBDOR:2004:AO5183
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot doorhaling erkenning minderjarige op grond van toepasselijk recht en belangen kind
De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot doorhaling van een erkenningsakte van een minderjarige, erkend door een man met de Belgische nationaliteit die ten tijde van erkenning gehuwd was met een andere vrouw. De erkenning werd opgemaakt volgens Belgisch recht, dat homologatie door de rechtbank vereist om definitief te worden, terwijl de minderjarige in Nederland woont.
De rechtbank stelt vast dat de erkenningsakte niet in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen en daarom niet doorgehaald kan worden. Daarnaast beoordeelt de rechtbank dat het Belgische recht van toepassing is op de erkenning, maar dat homologatie in Nederland niet mogelijk is, waardoor een onwenselijke situatie ontstaat van een niet-definitieve erkenning zolang het kind in Nederland woont.
Gezien de woonplaats van het kind en de betrokken partijen in Nederland, past de rechtbank Nederlands recht toe, waarbij erkenning door een gehuwde man nietig is tenzij er sprake is van een band die gelijkstaat aan een huwelijk. De rechtbank oordeelt dat deze band aanwezig is en de erkenning rechtsgeldig is. Daarom wordt de vordering tot doorhaling afgewezen en is geen wijziging van de geslachtsnaam nodig.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot doorhaling van de erkenningsakte af en bevestigt de rechtsgeldigheid van de erkenning in het belang van het kind.