ECLI:NL:RBDOR:2004:AP1890
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en bewijslast bij kop-staartbotsing nabij spoorwegovergang
Op 31 oktober 2001 vond een kop-staartbotsing plaats nabij een spoorwegovergang met verkeerslicht, waarbij de bestelauto van gedaagde de stilstaande auto van eiseres aanreed. Eiseres stelt dat gedaagde onrechtmatig handelde door onvoldoende afstand te houden en eist schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, waaronder letsel.
Gedaagde betwist aansprakelijkheid en voert aan dat eiseres zonder noodzaak plotseling remde, waardoor het ongeval ontstond. Hij stelt dat hij op veilige afstand reed en direct remde, maar een botsing niet kon voorkomen. Tevens voert hij eigen schuld aan eiseres op minimaal 75%.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 19 RVV Pro 1990 en de feiten voorshands aannemelijk is dat gedaagde onvoldoende afstand hield en het ongeval door zijn schuld is veroorzaakt. Echter krijgt gedaagde de gelegenheid tegenbewijs te leveren dat het ongeval door een verkeersfout van eiseres kwam.
Voor het voorschot van €10.000,- op schadevergoeding vraagt de rechtbank nadere onderbouwing en gelast een comparitie van partijen. Nadere beslissingen worden aangehouden in afwachting van bewijslevering. Tegen het tussenvonnis staat hoger beroep open.
Uitkomst: Rechtbank houdt beslissing aan en gelast comparitie om bewijs over schuldvraag te horen.