Bureau Jeugdzorg heeft in het hulpverleningsplan van 23 juni 2005 onder hulpvraag aangegeven dat zowel (naam minderjarige) als moeder hulp willen hebben bij het herstellen van het contact maar dat volgens de gezinsvoogd eerst rust voor (naam minderjarige) gecreëerd moet worden en dat onderzocht moet worden of de familie (naam) de meest geschikte plek voor (naam minderjarige) is of dat het meer in zijn belang is wanneer hij in een neutraal gezin geplaatst wordt alvorens gewerkt kan worden aan contactherstel.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de gezinsvoogdes van plan is om (naam minderjarige) aan te melden voor een therapeutische setting van de Grote Rivieren zonder verdere duidelijkheid te verschaffen over welke behandeling -anders dan te komen tot contact herstel tussen moeder en zoon - noodzakelijk is.
Uit het verslag van Horizon pleegzorg blijkt dat mevrouw (naam pleegmoeder) aan (naam minderjarige) merkt dat hij erg gebaat is bij duidelijkheid over zijn situatie en dat zijn perspectief van wonen vast moet komen te staan en dat de familie (naam) het belangrijk vindt dat er contact met moeder is. De heer en mevrouw (naam pleeggezin) zouden zich er van bewust zijn dat een neutrale houding ten opzichte van moeder gewenst is, maar dat dit hen niet altijd lukt.
Ondanks het feit dat in het verslag aangegeven wordt dat men het ingewikkeld vindt om tot samenwerking met moeder te komen, wordt geconcludeerd dat de mogelijkheden van de netwerkpleegouders voldoende aansluiten bij de doelen uit de indicatiestelling, hetgeen onbegrijpelijk is gezien het hulpverleningsplan dat deel uitmaakte van het dossier dat overgelegd is bij de indicatieaanvraag.
Ter zitting heeft moeder verklaard dat van haar kant samenwerking met de familie (naam pleeggezin) niet verwacht kan worden omdat zij niet als moeder, die met het ouderlijk gezag over (naam minderjarige) belast is, gerespecteerd wordt door de familie (naam pleeggezin) en omdat buiten haar medeweten door de Familie (naam pleeggezin) beslissingen over (naam minderjarige) worden genomen, zoals het op vakantie gaan met (naam minderjarige) en het inschrijven op een andere school.
Zolang (naam minderjarige) bij de familie (naam pleeggezin) woont kan volgens haar het doel tot contactherstel tussen haar en (naam minderjarige), zoals vermeld in het hulpverleningsplan, niet gerealiseerd worden.
Voorts is de kinderrechter gebleken dat noch door pleegzorg noch door de gezinsvoogdes een belangenafweging gemaakt is over verblijf van (naam minderjarige) bij de familie (naam pleeggezin) of in een neutraal pleeggezin.
Evenmin is er een gesprek geweest met alle direct bij (naam minderjarige) betrokken volwassenen om te bespreken wat het meest in het belang van (naam minderjarige) is, zoals staat vermeld in de beschikking van de kinderrechter van 27 april 2005.
Nu echter de kinderrechter alleen kan beslissen op het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing van (naam minderjarige) gedurende dag en nacht ter effectuering van het indicatiebesluit, in welk besluit niet met name de familie (naam pleeggezin) als aanbieder van zorg wordt vermeld, is het niet mogelijk om te beslissen over de feitelijke plaatsing van (naam minderjarige) in het gezin van de familie (naam pleeggezin).
Op grond van de te verlenen machtiging tot uithuisplaatsing zal door de gezinsvoogdij-instelling een plaatsingsbeschikking moeten worden afgegeven tegen welke beschikking moeder bezwaar kan aantekenen en vervolgens in beroep kan komen bij de kinderrechter. De kinderrechter zal dan moeten toetsen of het plaatsingsbesluit zorgvuldig is genomen met afweging van alle belangen, waarbij echter het belang van (naam minderjarige) het zwaarst dient te wegen.