ECLI:NL:RBDOR:2005:AU3557
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Redelijkheid en billijkheid verhinderen aanspraak op loon na arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Partijen sloten vanaf juni 2001 meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarna op 1 februari 2004 een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd liep tot 31 augustus 2004. Luxaflex gaf aan de overeenkomst niet te verlengen, waarop [X] na 31 augustus 2004 niet meer kwam werken. Het UWV stelde dat het laatste contract een vast contract was, waardoor [X] loonvordering instelde op grond van artikel 7:668a BW.
De kantonrechter stelde vast dat de arbeidsovereenkomst door opvolging van drie contracten voor bepaalde tijd als een contract voor onbepaalde tijd geldt. Omdat geen geldige opzegging was gegeven, bleef de overeenkomst na 1 september 2004 bestaan. [X] kan in principe loon vorderen over september en oktober 2004.
Echter, Luxaflex stelde dat zij voorafgaand aan de verlenging duidelijk had gemaakt de overeenkomst niet te willen voortzetten, maar op verzoek van [X] de overeenkomst had verlengd met als beëindigingsdatum 1 september 2004 vanwege zijn studieplannen. Dit wekte het gerechtvaardigd vertrouwen dat [X] na die datum geen loon zou claimen. Luxaflex kreeg de gelegenheid dit te bewijzen.
De kantonrechter verwierp het verweer dat het wegblijven van [X] een vrijwillig ontslag was en dat hij pas op 15 oktober 2004 bereid was de werkzaamheden te verrichten. Ook wees de rechter de buitengerechtelijke incassokosten af. De zaak werd aangehouden voor bewijslevering door Luxaflex over de verlenging onder uitdrukkelijk verzoek van [X].
Uitkomst: De loonvordering wordt in principe toegewezen, maar Luxaflex krijgt de gelegenheid te bewijzen dat redelijkheid en billijkheid de loonbetaling verhinderen vanwege voorafgaande afspraken.