ECLI:NL:RBDOR:2005:AU5560
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.H.J.G. Brekelmans
- Rechtspraak.nl
Verjaringstermijn en toepassing hardheidsclausule bij vordering meerinkomen studiefinanciering
Eiser betwistte een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 1999, vastgesteld door verweerster. Hij voerde aan dat de vordering over januari 1999 was verjaard en dat de boete wegens bezit van een OV-studentenkaart niet in verhouding stond tot het vastgestelde meerinkomen. Tevens stelde hij dat de berekening van zijn toetsingsinkomen onjuist was vanwege een te lage reiskostenaftrek.
De rechtbank overwoog dat de verjaringstermijn van de vordering niet in de Wet studiefinanciering was geregeld en daarom aansluiting moest worden gezocht bij de verjaringstermijnen van Boek 3 BW, waarbij artikel 306 BW Pro van toepassing is met een termijn van twintig jaar. De vordering was daarom niet verjaard. De boete werd terecht opgelegd omdat eiser gedurende de maanden januari tot en met augustus 1999 in het bezit was van een OV-studentenkaart.
De rechtbank wees het beroep op de hardheidsclausule af omdat geen sprake was van onbillijkheid van overwegende aard. Ook de berekening van het toetsingsinkomen werd bevestigd, waarbij de rechtbank oordeelde dat de afstand voor reiskostenaftrek langs de meest gebruikelijke weg moet worden gemeten en niet de feitelijke route. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vordering wegens meerinkomen en de opgelegde boete wordt ongegrond verklaard.