Beoordeling van het geschil
Partijen zijn verdeeld over de vraag of voor het toekennen van de beëindigingsvergoeding aan eiser het eerste dienstverband van tien jaren al dan niet meegeteld dient te worden.
Op grond van artikel 9.2 van het Sociaal Plan moet voor de berekening van de beëindigings-vergoeding het aantal dienstjaren worden vermenigvuldigd met, in casu, één bruto maandsalaris. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip ‘dienstjaren.’ Het begrip ‘dienstjaren’ wordt in artikel 2.5 van het Sociaal Plan gedefinieerd als ‘de duur van het dienstverband van werknemer… zulks te bepalen op de Boventalligheidsdatum.’ De vraag is of hieronder enkel het laatste dienstverband van de werknemer, vòòr de beëindiging valt, of ook eerdere dienstverbanden. In het Sociaal Plan staat hierover niets vermeld.
Voor de uitleg van de bepalingen van een Sociaal Plan zijn de bewoordingen van het Sociaal Plan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst van doorslaggevende betekenis. Gelet op het feit dat in artikel 2.5 het begrip ‘dienstverband’ in enkelvoud staat en dat de duur hiervan wordt bepaald op de Boventalligheidsdatum, wordt geoordeeld dat er in beginsel van moet worden uitgegaan dat voor de berekening van het aantal dienstjaren alleen die jaren meetellen waarin de werknemer voorafgaande aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij gedaagde in dienst is geweest.
Eiser heeft aangevoerd dat de onderbreking in 2000, gezien de korte duur hiervan in verhouding tot de duur van de twee dienstverbanden, van generlei betekenis is. Gezien echter het feit dat eiser zelf zijn eerste arbeidsovereenkomst heeft opgezegd om voor een andere werkgever te gaan werken en op eigen initiatief opnieuw bij gedaagde in dienst is getreden -aanvankelijk voor de bepaalde tijd van één jaar- wordt overwogen dat hierdoor de door eiser opgebouwde rechten over de jaren 1990 tot 2000 zijn komen te vervallen. Het enkele feit dat in de door eiser overgelegde loonstrook achter ‘concerndatum’ de aanvangsdatum van het eerste dienstverband staat vermeld, toont onvoldoende aan dat partijen er steeds vanuit zijn gegaan dat deze datum als datum van indiensttreding gold, zeker gelet op het feit dat op de loonstrook tevens achter ‘datum in dienst’ staat vermeld: 25-04-2000.
Gezien het voorgaande heeft gedaagde zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat voor de berekening van de beëindigingsvergoeding in het kader van het Sociaal Plan alleen de dienstjaren vanaf 2000 tot 2004 meetelden. Naast de door gedaagde betaalde vergoeding van
€ 10.413,- en het uit coulance betaalde bedrag van € 3.000,- heeft eiser dan, ook in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niets meer van gedaagde te vorderen.