ECLI:NL:RBDOR:2005:AU5981
Rechtbank Dordrecht
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Gemeente niet strafrechtelijk vervolgbaar voor lozen afvalwater via riooloverstort
De gemeente is ten laste gelegd dat zij tussen 16 juli 1990 en 31 oktober 2001 zonder vergunning afvalwater en verontreinigende stoffen via een riooloverstort in oppervlaktewater heeft geloosd. Dit betreft twee feiten die voortkomen uit hetzelfde feitencomplex.
De rechtbank beoordeelt dat het transport van afvalwater via het gemeentelijk rioolstelsel een specifieke, bij wet aan gemeenten opgedragen taak is. Dit is vastgelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer en daarvoor in artikel 10.16a. Het lozen via een riooloverstort is onderdeel van deze taak en kan niet anders worden gezien dan als het transport van afvalwater.
De rechtbank verwijst naar het arrest Pikmeer II van de Hoge Raad, waarin strafrechtelijke immuniteit voor openbaar lichamen geldt indien gedragingen uitsluitend door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van hun bestuurstaak. Gelet hierop en het wettelijk systeem is de gemeente niet strafrechtelijk vervolgbaar voor deze gedragingen.
De officier van justitie stelde dat beheer van de riooloverstort niet exclusief is en dat bij onzorgvuldig beheer strafrechtelijk optreden mogelijk moet zijn, maar de raadkamer oordeelt dat het hier gaat om een exclusieve overheidstaak. Daarom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk en wordt de gemeente buiten vervolging gesteld.
Uitkomst: De gemeente wordt buiten vervolging gesteld wegens strafrechtelijke immuniteit voor het lozen van afvalwater via een riooloverstort.