ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ8655

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
15 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/500751-06
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • mr. drs. T.F. van der Lugt
  • mr. P.L. van Dijke
  • mr. M.R.J. Schönfeld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 20-jarige verdachte voor diefstal met geweld op de openbare weg

Op 15 februari 2007 heeft de Rechtbank Dordrecht uitspraak gedaan in de zaak tegen een 20-jarige verdachte, die werd beschuldigd van diefstal met geweld. De verdachte was op 25 september 2006 samen met anderen betrokken bij de beroving van een slachtoffer in Papendrecht. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, door het slachtoffer te duwen en te bedreigen, zich schuldig had gemaakt aan diefstal met geweld. De officier van justitie had een gevangenisstraf van vijf maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 180 uren geëist. De rechtbank sprak de verdachte vrij van een tweede cumulatief alternatief, maar achtte de diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 160 uren. De rechtbank motiveerde de straf op basis van de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank benadrukte dat berovingen op de openbare weg een grote impact hebben op de maatschappij en dat de verdachte onvoldoende respect had getoond voor andermans eigendommen. De uitspraak werd gedaan in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S. van Vugt.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
Tegenspraak
Parketnummer: 11/500751-06
Zittingsdatum: 1 februari 2007
Uitspraak: 15 februari 2007
VERKORT STRAFVONNIS
De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres en woonplaats].
De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de
vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren
heeft gebracht.
1. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.
A)
hij op of omstreeks 25 september 2006 te Papendrecht aan de Stellingmolen 282,
in elk geval op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
één of meerdere gouden ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele
toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan
en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen
[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)
dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
- voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) hem door de achterdeur zou/zouden slaan en hem in elkaar
zou/zouden trappen en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij nog wel een DVD-setje
binnen had staan en/of dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders
zijn goud moest(en) hebben en/of
- die [slachtoffer] (ter hoogte van diens borst) heeft/hebben vastgepakt en/of
- (vervolgens) één of meerdere gouden ketting(en) van de nek/hals van die
[slachtoffer] heeft (af)getrokken;
en/of
B)
hij op of omstreeks 25 september 2006 te Papendrecht ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van
enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk
geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk
geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,
en/of zijn mededader(s)
- voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) hem door de achterdeur zou/zouden slaan en hem in elkaar
zou/zouden trappen en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij nog wel een DVD-setje
binnen had staan en/of dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders
zijn goud moest(en) hebben en/of
- die [slachtoffer] (ter hoogte van diens borst) heeft/hebben vastgepakt en/of
- (vervolgens) één of meerdere gouden ketting(en) van de nek/hals van die
[slachtoffer] heeft (af)getrokken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2. De voorvragen
2.1 De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.
2.2 De bevoegdheid van de rechtbank
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
2.4 De schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.
3. Het onderzoek ter terechtzitting
3.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft -het eerste cumulatief alternatief tenlastegelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren en tot een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, subsidiair 90 (negentig) dagen gevangenisstraf.
4. De bewijsbeslissingen
4.1 De vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder het tweede cumulatief alternatief ten laste is gelegd. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.
4.2 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte
op 25 september 2006 te Papendrecht aan de Stellingmolen 282 tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
meerdere gouden kettingen toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders
- voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geduwd
- die [slachtoffer] ter hoogte van diens borst heeft/hebben vastgepakt en
- vervolgens meerdere gouden kettingen van de nek/hals van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
4.3 De bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.
4.4 Nadere bewijsoverweging
Verdachte heeft betoogd dat hij niet tevoren wist dat het slachtoffer zou worden beroofd. Hij was alleen op verzoek van één van de medeverdachten meegegaan om zodoende meer druk uit te oefenen op het slachtoffer en zo de kans te vergroten dat het slachtoffer het geld zou betalen dat deze, volgens de verklaring van een medeverdachte, aan deze medeverdachte schuldig was. Op grond hiervan is verdachte van mening dat hij geen schuld heeft aan de beroving die heeft plaats gevonden.
De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte wist dat de betreffende medeverdachte geld tegoed had van het slachtoffer. Verdachte heeft bovendien niet betwist dat het meegaan met de medeverdachten tot doel had voor het slachtoffer een bedreigende situatie te creëren opdat hij onder invloed daarvan gemakkelijker tot afgifte van het bedoelde geld zou overgaan. Met die bedoeling zijn verdachte en zijn medeverdachten naar het huis van het slachtoffer gegaan. Toen bij het huis van het slachtoffer bleek dat het slachtoffer niet kon of wilde terugbetalen en het daadwerkelijk tot een confrontatie en tot een beroving kwam, heeft verdachte zich niet gedistantieerd, maar heeft hij eerst na de geslaagde beroving samen met zijn medeverdachten het hazenpad gekozen.
Onder deze omstandigheden kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat het creëren van een dreigende situatie ertoe zou kunnen leiden dat er daadwerkelijk een beroving zou plaatsvinden. Aldus is verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet mede verantwoordelijk te houden voor de gepleegde beroving.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid
7.1 Strafmotivering
De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld op de openbare weg, waarbij zij zich de gouden kettingen van het slachtoffer hebben toegeëigend door deze van zijn nek te trekken. Het slachtoffer is hierbij geduwd en vastgepakt.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij bij het plegen van dit feit geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Berovingen op de openbare weg hebben een groot maatschappelijk effect, in die zin dat gevoelens van onveiligheid en angst worden versterkt, niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook bij eventuele omstanders en in de maatschappij in het algemeen. Bovendien getuigen dergelijke feiten van onvoldoende respect voor andermans eigendommen en berokkenen zij de benadeelden veel ergernis en schade.
Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder een transactie heeft gekregen.
Gelet op de enigszins beperkte rol die ten aanzien van het gepleegde strafbare feit aan verdachte kan worden toebedeeld, zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en een werkstraf van na te melden duur opleggen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient mede als waarschuwing aan de verdachte zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.
8. De toepasselijke wettelijke voorschriften
De opgelegde straffen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:
artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder het tweede cumulatief alternatief ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:
* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;
bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
* een TAAKSTRAF voor de duur van 160 (honderdzestig) UREN, bestaande uit een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,
mr. P.L. van Dijke en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Vugt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 februari 2007.