ECLI:NL:RBDOR:2007:BA7386

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
14 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
70200 / KG ZA 07-106
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 39 Faillissementswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot ontruiming kantoorruimte door curator in faillissement met toepassing artikel 7:230a BW

Alberg Geveltechniek B.V. is failliet verklaard en mr. P.G. Gilhuis is benoemd tot curator. De curator heeft de huurovereenkomst voor bedrijfsruimte in Papendrecht opgezegd en tevens de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] opgezegd en ontruiming geëist.

[gedaagde 2] betwist dat zij zonder recht gebruik maakt van de kantoorruimte en beroept zich op artikel 7:230a BW, dat een wettelijke regeling bevat voor huur van kantoorruimte, waardoor ontruiming pas na een termijn van twee maanden kan worden geëist. De curator beroept zich op het Nebula-arrest, maar de rechtbank oordeelt dat dit arrest hier niet van toepassing is.

De voorzieningenrechter bepaalt dat de curator het gebruik van de kantoorruimte door [gedaagde 2] tot 31 juli 2007 moet dulden en dat een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn de ontruiming schorst totdat op dat verzoek is beslist. De belangenafweging leidt tot toewijzing van het bevel tot ontruiming per 31 juli 2007, met een dwangsom bij niet-naleving. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De curator krijgt het bevel tot ontruiming van de kantoorruimte per 31 juli 2007 met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK DORDRECHT
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 70200 / KG ZA 07-106
Vonnis in kort geding van 14 juni 2007
in de zaak van
PIETER GUILLAUME GILHUIS
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Alberg Geveltechniek B.V.,
wonende te Dordrecht,
eiser,
procureur mr. H.J. Bakker,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende te Barendrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2],
gevestigd te Papendrecht,
gedaagden,
bijgestaan door mr. C. van Boetzelaer (DAS Rechtsbijstand) te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de curator en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen hierna respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.
1. De procedure
1.1 De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 31 mei 2007 kennis genomen van de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 22 mei 2007 met bijbehorende producties,
- de pleitnota van [gedaagden].
- de door [gedaagden] overgelegde producties.
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1 Bij vonnis van deze rechtbank van 21 februari 2007 is Alberg Geveltechniek B.V. (verder: Alberg) in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. P.G. Gilhuis tot curator.
2.2 Tussen Alberg en Halverton Real Estate Investment Management (verder: Halverton) bestaat een huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte met kantoor aan [adres] te Papendrecht (verder: het gehuurde). De huur bedraagt € 4.079,71 per maand. De curator heeft deze huurovereenkomst op de voet van artikel 39 Fw Pro opgezegd tegen 1 juli 2007.
2.3 [gedaagde 1] is statutair directeur van [gedaagde 2]. [gedaagde 1], althans [gedaagde 2] heeft een deel van de kantoorruimte in het gehuurde in gebruik.
2.4 De curator heeft voor zover nodig een overeenkomst tussen Alberg en [gedaagden] dan wel andere titel voor het gebruik van de kantoorruimte opgezegd tegen 31 mei 2007 en tevens ontruiming tegen die datum aangezegd.
3. Het geschil
3.1 De curator vordert - samengevat -:
1. [gedaagde 1], althans [gedaagde 2] te bevelen het kantoor aan [adres] te Papendrecht te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van de curator te stellen;
2. te bepalen dat een dwangsom zal worden verbeurd wanneer in gebreke wordt gebleven met de uitvoering voor het onder 1 gevorderde bevel nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken;
3. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter ten deze nuttig en nodig mocht achten;
4. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2 [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1 De curator baseert de vordering primair op de stelling dat [gedaagde 1], althans [gedaagde 2] zonder recht of titel gebruik maakt van de kantoorruimte. [gedaagden] heeft dit gemotiveerd betwist onder overlegging van twee aan [gedaagde 2] geadresseerde facturen van Alberg terzake van huur over de maanden februari tot en met juni 2006. Door de curator zijn geen bescheiden overgelegd die het bestaan van een huurovereenkomst tussen Alberg en [gedaagde 2] weerleggen. Onder deze omstandigheden dient vooralsnog aangenomen te worden [gedaagde 2] de kantoorruimte in het gehuurde uit hoofde van (onder)huur in gebruik heeft. De betwisting van de curator dat [gedaagde 2] de in rekening gebrachte huur heeft voldaan, maakt dat niet anders omdat betaling van de overeengekomen huur geen voorwaarde is voor het bestaan van een huurovereenkomst.
4.2 Subsidiair beroept de curator zich op de opzegging van de huurovereenkomst met [gedaagde 2] tegen 31 mei 2007. [gedaagden] betwist dat [gedaagde 2] op grond daarvan gehouden is de bij haar in gebruik zijnde kantoorruimte tegen die datum te ontruimen en beroept zich daarbij op artikel 7:230a BW. Voorts stelt [gedaagde 2] dat zij belang heeft bij voortzetting van het gebruik van de kantoorruimte tot 1 januari 2008, aangezien op zijn vroegst op die datum over andere kantoorruimte kan beschikken. De curator voert, onder verwijzing naar het Nebula-arrest (HR 3-11-2006, NJ 2007/155) daartegen aan dat hij wanprestatie mag plegen indien door verdere nakoming van de overeenkomst de gelijkheid van schuldeisers op onaanvaardbare wijze wordt doorbroken en dat hiervan sprake is nu [gedaagde 2] de enige schuldeiser van Aldberg is die de overeengekomen prestatie geleverd krijgt, terwijl de vordering die zij bij wanprestatie van de curator zou krijgen op geld waardeerbaar is en een concurrente vordering vormt. Een verzoek tot verlenging ex artikel 7:230a BW acht de curator op deze gronden niet kansrijk.
4.3 Geen sprake is van een situatie als beoordeeld in het Nebula-arrest. Niet in geschil is dat, uitgaande van het bestaan van een huurovereenkomst tussen [gedaagde 2] en Alberg, de huur betrekking heeft op een gedeelte van een gebouwde onroerende zaak dat noch woonruimte noch bedrijfsruimte in de zin van boek 7 titel 4 BW. In artikel 7:230a lid 1 en 3 BW, waarvan niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, is ten aanzien van huur van dergelijke ruimte bepaald dat de verhuurder gedurende twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd niet kan verlangen dat de huurder tot ontruiming van het gehuurde overgaat. Een faillissement van de verhuurder brengt daarin geen wijziging. Er is derhalve sprake van een uitdrukkelijke wettelijke regeling die meebrengt dat de curator in ieder geval tot 31 juli 2007 het gebruik van de gehuurde kantoorruimte door [gedaagde 2] heeft te dulden. Indien [gedaagde 2] tijdig, dat wil zeggen voor laatstgenoemde datum, een verzoek tot verlenging van de termijn waarbinnen de ontruiming indient, wordt haar verplichting om tot ontruiming over te gaan krachtens artikel 7:230a lid 3 BW van rechtswege geschorst totdat op het verzoek is beslist. In dat geval heeft de curator dus tevens het gebruik van de kantoorruimte te dulden totdat op het verlengingsverzoek zal zijn beslist.
4.4 [gedaagde 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar belangen bij een ontruiming vóór 1 januari 2008 ernstiger worden geschaad dan de belangen van de curator bij voortzetting van het gebruik van de kantoorruimte tot die datum. Immers tegenover het financiële nadeel, zoals dubbele verhuiskosten, dat [gedaagde 2] bij voortijdige ontruiming lijdt, staat het financiële nadeel van € 4.079,71 per maand dat de faillissementsboedel lijdt bij voortzetting van het gebruik van de kantoorruimte na 31 juli 2007. [gedaagde 2] is er niet in geslaagd duidelijk te maken dat haar financieel nadeel groter zal zijn dan dat van de faillissementsboedel. Derhalve is vooralsnog niet aannemelijk dat de bodemrechter een door [gedaagde 2] in te dienen verzoek tot verlenging van de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden zal honoreren.
4.5 [gedaagde 2] heeft niet duidelijk gemaakt dat zij de gehuurde kantoorruimte vrijwillig vóór 1 januari 2008 zal ontruimen indien de bodemrechter het door haar in te dienen verzoek tot verlenging als bedoeld in artikel 7:230a BW afwijst. [gedaagde 2] zal conform haar verzoek een - gelet op alle omstandigheden van het geval - redelijke ontruimingstermijn worden geboden.
4.6 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de curator recht op en voldoende spoedeisend belang bij een rechterlijk bevel tot ontruiming heeft en dat zijn vordering als na te melden dient te worden toegewezen. Het moge duidelijk zijn dat dit oordeel van de voorzieningenrechter partijen in de bodemprocedure niet bindt, zodat na te melden beslissing geen werking heeft indien de bodemrechter een door [gedaagde 2] tijdig ingediend verzoek tot verlenging van de termijn waarbinnen de ontruiming dient plaats te vinden geheel of gedeeltelijk toewijst.
4.7 Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
beveelt [gedaagde 2] het kantoor in het pand staande en gelegen te Papendrecht aan [adres] vóór 31 juli 2007 dan wel - indien [gedaagde 2] voor die datum een verzoek heeft ingediend tot verlenging van de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden - binnen een week nadat de bodemrechter op dat verzoek beslist, met al de haren en al het hare te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van de curator te stellen;
bepaalt dat [gedaagde 2] een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere dag een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij in gebreke blijft met uitvoering van het voormelde bevel nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zal zijn verstreken;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2007.