ECLI:NL:RBDOR:2007:BB2548
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.B.H.M. Simmelink
- H. Bedee
- T. Kooijmans
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens gebrek aan bewijs
De rechtbank Dordrecht behandelde een zaak waarin de veroordeelde was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk een bedrag van ruim één miljoen euro, later verminderd tot veertigduizend euro.
De rechtbank stelde dat voor het opleggen van een betalingsverplichting op grond van artikel 36e lid 2 Sr voldoende aanwijzingen moeten bestaan dat de veroordeelde soortgelijke feiten heeft gepleegd waaruit voordeel is behaald. Het financiële rapport waarop de vordering was gebaseerd, specificeerde deze soortgelijke feiten echter niet concreet en er waren geen andere aanwijzingen in het dossier.
De verdediging voerde aan dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel had genoten. De rechtbank concludeerde dat de vordering van de officier van justitie ongefundeerd was en dat niet kon worden vastgesteld dat de veroordeelde enig voordeel had behaald uit soortgelijke feiten. Daarom stelde de rechtbank de betalingsverplichting op nihil.
De beslissing werd genomen na een openbare terechtzitting op 23 augustus 2007 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Dordrecht.
Uitkomst: De rechtbank stelt de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil wegens gebrek aan bewijs.