ECLI:NL:RBDOR:2008:BC6223
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Halk
- Verhappen
- Visser
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid notaris en verkoper bij onrechtmatig beroep op vervallen kettingbeding
In deze civiele vrijwaringszaak staat centraal de aansprakelijkheid van een notaris en een verkoper (GBC) omtrent een kettingbeding dat abusievelijk in een leveringsakte werd opgenomen. De notaris nam onterecht een reeds vervallen kettingbeding op in de akte van levering van 3 augustus 1981, terwijl GBC zich later onrechtmatig op dit beding beroept.
De feiten betreffen een perceel dat in erfpacht was uitgegeven met een kettingbeding dat het vestigen van een handel in bouwmaterialen verbood, ten behoeve van de erfpachter Dessing. Dit beding was echter bij een latere akte van 1 mei 1981 komen te vervallen. Desondanks werd het kettingbeding abusievelijk opnieuw opgenomen in de leveringsakte door de notaris. GBC, die nooit rechten aan het beding kon ontlenen, heeft zich desondanks in 1986 op het kettingbeding beroepen, wat leidde tot langdurige procedures.
De rechtbank stelt vast dat zowel de notaris een beroepsfout heeft gemaakt door het opnemen van het vervallen beding, als dat GBC onrechtmatig heeft gehandeld door zich bewust op het kettingbeding te beroepen. Beide gedragingen zijn samen oorzaak van de schade die Woninginrichting Potharst B.V. heeft geleden. Daarom zijn notaris en GBC hoofdelijk aansprakelijk en dient de schade gelijkelijk te worden verdeeld.
De rechtbank veroordeelt GBC tot betaling van de helft van het door de notaris aan Potharst verschuldigde bedrag van € 25.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 augustus 1989. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: GBC is hoofdelijk aansprakelijk en moet 50% van de schade vergoeden die voortvloeit uit het onrechtmatig beroep op het vervallen kettingbeding.