ECLI:NL:RBDOR:2008:BD3670

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
9 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
75759 HA RK 08-2033
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 SvArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Op 9 juni 2008 diende de raadsman van de verdachte een verzoek tot wraking in tegen mr. [rechter], rechter in de sector strafrecht van de rechtbank Dordrecht. Het verzoek was gebaseerd op vermeende betrokkenheid van de rechter bij een eerdere strafzaak waarin een onschuldige werd veroordeeld en op negatieve uitlatingen over strafrechtadvocaten.

De wrakingskamer behandelde het verzoek ter zitting waarbij de verdachte, zijn raadsman, de officier van justitie en de betrokken rechter aanwezig waren. De verdediging stelde dat de rechter vooringenomen was en de onschuldpresumptie had geschonden.

De rechtbank oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aantonen. De aangevoerde feiten waren onvoldoende concreet en niet onderbouwd. De stelling dat de rechter ontlastende stukken zou hebben achtergehouden werd door de verdediging niet bewezen en door de rechter betwist.

De rechtbank concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en wees het wrakingsverzoek af. De uitspraak werd dezelfde dag uitgesproken door mr. R.R. Roukema, mr. P.W. van Baal en mr. A.P. Hameete.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer / rolnummer: 75759 HA RK 08-2033
Beslissing van 9 juni 2008
op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [datum 1970 te [plaats] (Marokko),
thans gedetineerd in de PI Rijnmond, Huis van Bewaring De Schie,
verzoeker, hierna ook aangeduid als de verdachte,
raadsman mr. I.N. Weski.
Het verzoek strekt tot wraking van
Mr. [rechter]
rechter in de sector strafrecht van deze rechtbank.
1. Het procesverloop
1.1. Ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank van 09 juni 2008 heeft de raadsman van verdachte mondeling verzoek gedaan tot wraking van mr. [rechter]. Hierop heeft de meervoudige strafkamer het onderzoek ter terechtzitting geschorst en proces-verbaal opgemaakt.
1.2. Het verzoek om wraking is door een meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de wrakingskamer) behandeld ter openbare terechtzitting van 09 juni 2008, alwaar zijn verschenen en gehoord:
- de verdachte en zijn raadsman,
- de officier van justitie, mr. A. Ekiz.
Als tolk was aanwezig J. Lakjaa
1.3. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de voorzitter van de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak diezelfde middag zou worden gedaan.
2. Het verzoek
2.1. De raadsman van verdachte grondt haar verzoek tot wraking op twee gronden:
-mr. [rechter] is als Officier van Justitie betrokken geweest bij de Schiedammer Parkmoord, waarin een onschuldige was veroordeeld. Mr. [rechter] heeft in die zaak ontlastende stukken achtergehouden aan de verdediging en rechtbank. Gevreesd wordt dat mr. [rechter] de mening is toegedaan dat alle verdachten veroordeeld moeten worden. Dat is in strijd met de presumptie van onschuld en rechtvaardigt de vrees van vooringenomenheid in deze zaak.
-mr. [rechter] heeft zich in het verleden negatief uitgelaten over (de kwaliteit van) strafrechtadvocaten in het algemeen, en ook over mr. Weski in het bijzonder.
3. Mr. [rechter] heeft niet in de wraking berust. Zij is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en heeft daarvan gebruik gemaakt.
4. Het standpunt van de officier van justitie
4.1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking.
5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van het bepaalde in artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid van dat artikel moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.
5.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
5.3. De omstandigheid dat mr. [rechter] in het verleden, als officier van justitie, betrokken is geweest bij een strafrechtelijke procedure waarin het tot veroordeling is gekomen van iemand die later onschuldig is gebleken, rechtvaardigt op zich niet de conclusie dat mr. [rechter] de mening is toegedaan dat elke verdachte veroordeeld moet worden. De kale -en overigens door mr. [rechter] uitdrukkelijk betwiste- stelling dat mr. [rechter] in die procedure ontlastende stukken heeft achtergehouden aan rechtbank en verdediging heeft mr. Weski niet onderbouwd. De stelling van mr. [rechter] dat een strafrechtelijk onderzoek naar haar handelen tot een sepot heeft geleid met de conclusie dat zij ten onrechte als verdachte was aangemerkt is door mr. Weski niet weersproken. Ook de stelling van mr. [rechter] dat daartegen geen procedure ex art. 12 Sv Pro. is ingesteld, werd niet weersproken.
5.4 De stelling dat mr. [rechter] zich in het verleden negatief uitgelaten over (de kwaliteit van) strafrechtadvocaten in het algemeen, en ook over mr. Weski in het bijzonder, is onvoldoende concreet gemaakt en is eveneens door mr. [rechter] betwist.
5.5 Een en ander leidt tot de conclusie dat er onvoldoende van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan een vooringenomenheid van mr. [rechter] kan worden aangenomen of de gerechtvaardigde vrees dat aan de verdachte een eerlijk proces wordt onthouden.
5.6 Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking ongegrond is en afgewezen dient te worden.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking van mr. [rechter] af.
Deze beslissing is genomen door mr. R.R Roukema, mr. P.W. van Baal en
mr. A.P. Hameete en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2008.