ECLI:NL:RBDOR:2008:BG2056

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
22 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB06/1512
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:73a Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Eiser stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) dat een uitkering op grond van de Ziektewet weigerde toe te kennen. Na een nieuw besluit van verweerder op 25 april 2008, waarbij volledig aan de bezwaren van eiser werd tegemoetgekomen, trok eiser het beroep in tijdens de zitting van 7 juli 2008 en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank overwoog dat eiser het beroep al vóór de zitting had kunnen intrekken en dat de kosten die in verband met de zitting zijn gemaakt daarom niet als redelijkerwijs gemaakte kosten kunnen worden aangemerkt. De kosten die verband houden met het beroepschrift zelf zijn echter wel redelijk en worden toegewezen.

Verweerder werd veroordeeld tot betaling van EUR 322,- aan proceskosten, begroot op basis van één punt voor het beroepschrift en een wegingsfactor van 1. De rechtbank wees het UWV aan als de partij die deze kosten aan de griffier moet vergoeden.

De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt dat proceskostenvergoeding kan worden toegewezen bij intrekking van beroep na tegemoetkoming door het bestuursorgaan, mits de kosten redelijk zijn gemaakt.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van EUR 322,- aan proceskosten voor het beroepschrift, maar niet voor de zittingskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector Bestuursrecht
procedurenummer: AWB 06/1512
uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht
inzake
[eiser], wonende te Gorinchem, eiser,
gemachtigde: mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht,
tegen
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: [naam gemachtigde], werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV).
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en daarmee het primaire besluit gehandhaafd, inhoudende de weigering om aan eiser per 13 januari 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: Zw) toe te kennen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 december 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.
De zaak is op 7 juli 2008 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.
Eiser is verschenen bij gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
2. Overwegingen
In artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat in het geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in Pro de kosten kan worden veroordeeld. In het tweede lid van dit artikel is artikel 8:73a tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing verklaard.
Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Bij brief van 24 januari 2008 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij de beslissing op bezwaar van 9 november 2006 niet langer handhaaft. Voorts heeft verweerder bij besluit van 25 april 2008 aan eiser per 13 januari 2006 een uitkering ingevolge de Zw toegekend. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft verweerder aan eiser een bedrag van EUR 1.697,87 aan wettelijke rente toegekend, nu betaling van de uitkering meer dan vier weken na de aanvraag heeft plaatsgevonden.
Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat het beroep wordt ingetrokken, omdat verweerder aan hem tegemoetgekomen is. Eiser heeft gelijktijdig verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij bij een proceskostenveroordeling niet dient te worden veroordeeld tot betaling van de in verband met de zitting gemaakte kosten. Verweerder meent dat deze kosten nodeloos zijn gemaakt, nu eiser zijn beroep ook vóór de zitting had kunnen intrekken. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 13 januari 2005, LJN AS3446.
De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Raad biedt naar oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor het betoog van verweerder met betrekking tot de in dit geval in verband met de zitting gemaakte kosten. Niettemin acht de rechtbank redenen aanwezig om verweerder niet te veroordelen tot betaling van de in verband met de zitting gemaakte kosten. Nadat verweerder op 25 april 2008 een nieuw primair besluit heeft genomen waarbij geheel tegemoetgekomen is aan de bezwaren van eiser, was het voor eiser mogelijk reeds vóór de zitting van 7 juli 2008 zijn beroep in te trekken en een verzoek tot proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, te doen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er enige noodzaak bestond om pas ter zitting tot intrekking van het beroep over te gaan. Aldus betreffen de in verband met de zitting gemaakte kosten geen redelijkerwijs gemaakte kosten.
Nu verweerder tegen een veroordeling tot betaling van de in verband met het beroepschrift gemaakte kosten geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en gebleken is dat eiser deze kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van eiser ten aanzien van deze kosten kan worden toegewezen.
Gelet op het vorenstaande begroot de rechtbank de kosten in verband met de door een derde verleende rechtsbijstand op EUR 322,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).
De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank Dordrecht,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten welke eiser in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op EUR 322,- ter zake van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, rechter, en door deze en mr. H. Philips, griffier, ondertekend.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.