ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3193
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen handhaving detailhandel op gronden met bestemming bedrijven
Verzoeksters, bestaande uit een Duitse moedermaatschappij en haar Nederlandse dochteronderneming, hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen een handhavingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam. Dit besluit verbiedt de dochteronderneming het gebruik van een pand voor detailhandel op gronden met de bestemming 'Bedrijven', tenzij ontheffing wordt verleend. Verzoeksters betogen dat dit verbod in strijd is met het recht op vrije vestiging zoals gewaarborgd in artikel 43 van Pro het EG-verdrag en de Dienstenrichtlijn.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Duitse moedermaatschappij belanghebbende is bij het besluit, aangezien het handhavingsbesluit haar specifieke belang in de vrije grensoverschrijdende vestiging raakt. Het gebruik van het pand als afhaalcentrum voor detailhandel valt onder de definitie van detailhandel in het bestemmingsplan. Het betoog dat het gebruiksverbod in strijd is met het EG-recht wordt voorlopig verworpen, mede omdat het bestemmingsplan een objectieve rechtvaardigingsgrond biedt en het verbod niet discriminerend is.
De rechter stelt dat de bevoegdheid tot handhaving berust op het bestemmingsplan en niet op de Wet ruimtelijke ordening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat er onvoldoende grond is om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit en de weigering van ontheffing. De opgelegde dwangsom en de begunstigingstermijn worden eveneens als redelijk beoordeeld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het handhavingsbesluit wordt afgewezen.