ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3198
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen vrijstelling bouw grootschalige detailhandel op bedrijventerrein
Verzoeker maakte bezwaar tegen de door de gemeente verleende vrijstelling en bouwvergunning voor de oprichting van vier bedrijfspanden met een winkelfunctie op een terrein met bestemming 'Bedrijven'. De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrijstelling voor grootschalige detailhandel op deze locatie wenselijk is binnen het geldende gemeentelijke en provinciale beleid.
Daarnaast bestaat twijfel over de bevoegdheid van de gemeente om vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), omdat detailhandel op bedrijfsterreinen volgens provinciaal beleid is uitgesloten. De voorzieningenrechter wijst erop dat het provinciale beleid en de gemeentelijke nota economie de richtlijnen van de provincie Zuid-Holland overnemen, die perifere detailhandel op bedrijventerreinen beperken.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst de bestreden besluiten en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Andere klachten van verzoeker over hoogtebepaling, sanering en gebruik van de panden worden niet in deze procedure beoordeeld omdat deze niet direct de rechtmatigheid van de bouwvergunning betreffen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de verleende vrijstelling en bouwvergunning worden geschorst.