ECLI:NL:RBDOR:2010:BM3042
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen
In deze civiele procedure heeft verzoeker tijdens een comparitie bij de kantonrechter een wrakingsverzoek ingediend wegens vermeende vooringenomenheid. Verzoeker stelde dat de kantonrechter prematuur een voorlopig oordeel had gegeven zonder partijen zelf te ondervragen en onvoldoende actief was in het verkrijgen van duidelijkheid over de stellingen.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en de stukken bestudeerd, waaronder het proces-verbaal van de comparitie en schriftelijke reacties. De kantonrechter heeft verklaard dat het voorlopige oordeel pas werd gegeven nadat beide partijen en hun raadsheren het woord hadden gehad en dat het niet haar taak was om een partij met rechtsbijstand te dwingen tot nadere betwisting.
De rechtbank overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die objectief een vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. De comparitie dient om inlichtingen te verkrijgen en partijen de kans te geven tot schikking. Het is gebruikelijk dat de rechter een voorlopig oordeel geeft om partijen hun kansen te laten inschatten.
De rechtbank concludeerde dat de kantonrechter voldoende gelegenheid had gegeven aan de raadsheren om hun standpunten toe te lichten en dat het ontbreken van directe vragen aan partijen niet automatisch wijst op vooringenomenheid. Verzoeker had onvoldoende feiten gesteld die een objectieve vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.