ECLI:NL:RBDOR:2010:BO3376

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
5 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/1440
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WWBArt. 8:72 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2 Verordening
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing maatregel verlaging bijstand wegens niet-nakoming huiswerkopdrachten

Eiser ontving een maatregel van 50% verlaging van zijn bijstand voor de periode van twee maanden wegens het niet maken van huiswerkopdrachten op 6 februari 2009. Verweerder baseerde dit besluit op het oordeel dat eiser verwijtbaar tekortschiet in zijn verplichtingen en dat sprake was van recidive.

Eiser betwistte de maatregel en voerde aan dat hij niet duidelijk was geïnformeerd over de opdrachten en de sanctie, dat hij onvoldoende begeleiding ontving en dat zijn psychische klachten onvoldoende waren onderzocht. De rechtbank stelde vast dat het niet maken van de huiswerkopdrachten een maatregelwaardige gedraging is, maar dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van verwijtbaarheid.

Daarom oordeelde de rechtbank dat het besluit in strijd was met artikel 18 van Pro de WWB en vernietigde het. Tevens werd het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot verlaging van de bijstand wegens onvoldoende verwijtbaarheid en herroept het primaire besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector Bestuursrecht
procedurenummer: AWB 09/1440
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
inzake
[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht,
tegen
het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost/Vijfheerenlanden, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 2009 de uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) van eiser over de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 juni 2009 verlaagd met 50% van de bijstandsnorm.
Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 25 maart 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.
Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat aan eiser een maatregel wordt opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 23 oktober 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.
De zaak is op 11 augustus 2010 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.
Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder is niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
De in artikel 8, eerste lid, van de WWB bedoelde verordening is de 'Verordening maatregelen en fraudebestrijding Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost/Vijfheerenlanden 2005' (hierna: de Verordening).
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt aan de belanghebbende overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd, indien de belanghebbende naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het Dagelijks Bestuur zeer ernstig misdragen.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Verordening wordt een sanctie afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.
Ingevolge artikel 4 van Pro de Verordening wordt in het besluit tot opleggen van een maatregel in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel.
Ingevolge artikel 9 van Pro de Verordening worden de gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van Pro de wet niet of onvoldoende is nagekomen, onderscheiden in vier categorieën. Onder de derde categorie wordt begrepen:
a) gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
b) het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het Dagelijks Bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid, van de wet.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt de maatregel op grond van artikel 9 vastgesteld Pro op:
c) vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;
d) honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt de duur of hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie.
Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Verordening kan het Dagelijks Bestuur een maatregel voor onbepaalde tijd treffen, indien de belanghebbende na recidive als bedoeld in artikel 10, tweede lid, volhardt in de gedraging(en). Er zal dan telkens binnen drie maanden een heroverweging van deze maatregel plaats dienen te vinden.
2.2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn primaire besluit in die zin herzien, dat aan eiser een maatregel wordt opgelegd van 50% gedurende twee maanden. Verweerder heeft daartoe met verwijzing naar de overwegingen in het advies van het Hoofd van de afdeling Beleid en Ondersteuning van de RSD/AOV van 5 oktober 2009, het volgende overwogen. Het gaat nog om de beoordeling van het niet maken van de huiswerkopdrachten op 6 februari 2009. Niet is betwist dat de huiswerkopdracht niet af was.
Hiermee staat vast dat er sprake is van maatregelwaardig gedrag. Vervolgens dient te worden beoordeeld of er sprake is van verwijtbaar handelen. Uit het hernieuwde onderzoek door Aob Compaz van mei 2009 blijkt dat er geen aanwijzingen meer zijn voor een post traumatisch stress syndroom (hierna: PTSS). Verder is niet gebleken dat eiser onvoldoende is begeleid. Ten aanzien van het niet maken van de huiswerkopdrachten is er sprake van aan eiser toe te rekenen verwijtbaarheid. Gezien de eerdere twee sanctiebesluiten is er bovendien sprake van recidive, zodat een sanctie van 50% gedurende twee maanden passend is.
2.3. Eiser kan zich met voornoemd bestreden besluit niet verenigen. Eiser heeft aangevoerd dat uit het dossier van verweerder niet blijkt dat hij huiswerkopdrachten moest maken op
6 februari 2009 en wat daarvan de inhoud was. Bovendien was eiser niet duidelijk dat er een sanctie zou volgen indien hij de opdrachten niet kon maken. Door verweerder is in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de mogelijkheid dat het maken van de (volledige) opdrachten wellicht te moeilijk was voor eiser. Gezien de gebrekkige vermogens van eiser ontbreekt de verwijtbaarheid. Eiser is van mening dat het hem aan de noodzakelijke extra begeleiding en ondersteuning heeft ontbroken. Er heeft voor 6 februari 2009 geen afstemming plaatsgevonden tussen therapeut en trajectbegeleider van eiser. Verweerder heeft dit ook erkend in zijn preadvies. Eiser heeft PTSS, maar is hiervoor nooit behandeld. De verklaring van eiser van 18 mei 2009 dat hij geen psychische klachten meer heeft, zijn nooit psychologisch onderzocht. Gezien het voorgaande had dit redelijkerwijs kunnen leiden tot het afzien dan wel verlagen van de opgelegde sanctie.
2.4. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de maatregel heeft gebaseerd op het niet maken van huiswerkopdrachten op 6 februari 2006.
Niet in geding is dat de huiswerkopdrachten op 6 februari 2009 niet dan wel onvoldoende zijn gemaakt. Het niet dan wel onvoldoende maken van de huiswerkopdrachten op 6 februari 2009 is, naar het oordeel van de rechtbank, aan te merken als maatregelwaardige gedraging.
Voorts staat ter beoordeling of eiser kan worden verweten dat hij de huiswerkopdrachten niet of niet voldoende heeft gemaakt.
Uit de stukken blijkt dat eiser in het kader van het traject dat hij volgde een portfolio moest samenstellen, waarvoor hij verschillende huiswerkopdrachten moest maken. In de rapportage van AOB Compaz van 5 september 2008 staat vermeld dat eiser meer begeleiding nodig heeft dan tot voor die tijd ingeschat. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet aannemelijk gemaakt dat eiser ook daadwerkelijk extra ondersteuning heeft gekregen.
Verweerder heeft eiser op 18 respectievelijk 29 mei 2009 opnieuw door AOB Compaz medisch en psychologisch laten onderzoeken, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een advies van 1 juli 2009. Hieruit volgt dat er bij eiser geen sprake meer is van lichamelijke en psychische beperkingen. Uit het advies kan evenwel niet worden afgeleid dat eiser ook in de periode dat hij zijn huiswerkopdrachten moest maken geen sprake was van psychische belemmeringen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een verwijtbare gedraging.
Hieruit vloeit voort dat verweerder op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB niet heeft kunnen besluiten om de bijstand van eiser te verlagen.
Dit brengt met zich mee dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 18 van Pro de WWB en dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is verder niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank Dordrecht,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 oktober 2009;
- verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit van 17 maart 2009;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op
€ 874,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, welke kosten aan eiser dienen te worden vergoed.
Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, rechter, en door deze en mr. P. Haex, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,