ECLI:NL:RBDOR:2010:BO6094
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om vervoersvoorziening op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening door UWV
Verzoeker, die lijdt aan een progressieve spierziekte en beperkt is in zijn mobiliteit, vroeg bij de gemeente Leerdam een vervoersvoorziening aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat het UWV reeds een vergoeding voor privévervoer had toegekend op grond van artikel 35 van Pro de Wet WIA, welke door verweerder werd aangemerkt als een voorliggende voorziening. Verzoeker betoogde dat de vergoeding van het UWV beperkt is tot woon-werkverkeer en onvoldoende is voor zijn sociale activering en leefomstandigheden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vergoeding van € 400 per kwartaal voor privévervoer door het UWV inderdaad een vervoersvoorziening in de zin van artikel 35, derde lid, van de Wet WIA betreft en niet als vergoeding voor woon-werkverkeer kan worden aangemerkt. De rechtbank stelde echter dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de actuele situatie van verzoeker en de toereikendheid van de UWV-vergoeding als compensatie voor de beperkingen van verzoeker. De voorzieningenrechter benadrukte dat het college van burgemeester en wethouders een maatwerkvoorziening moet bieden die de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van verzoeker compenseert.
De rechtbank besloot geen voorlopige voorziening te treffen omdat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat zijn situatie zo nijpend was dat hij de beslissing op bezwaar niet kon afwachten. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, met het oordeel dat verweerder het bezwaar van verzoeker zorgvuldig moet onderzoeken en motiveren.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de vergoeding van het UWV als voorliggende voorziening geldt en nader onderzoek naar de toereikendheid daarvan moet plaatsvinden.