ECLI:NL:RBDOR:2011:BR2513

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
92631 FT-RK 11/5162
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub a Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsanering wegens onvoldoende aannemelijkheid niet kunnen betalen

Verzoeker heeft een preferente vordering van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard en een concurrente vordering van ING. Hij heeft een WWB-uitkering en is bezig met een re-integratietraject waarbij hij solliciteert. Verzoeker heeft een akkoord aangeboden aan ING om na drie jaar een klein percentage van de vordering te betalen, maar ING stemde hier niet mee in vanwege de verwachting dat verzoeker binnenkort kan re-integreren en zijn afloscapaciteit zal toenemen.

Tijdens de zitting verklaarde verzoeker dat hij een betalingsregeling wil treffen zodra hij werk heeft en zijn schuld aan de Regionale Sociale Dienst heeft afgelost. ING gaf aan bereid te zijn om dan een regeling te treffen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 288 lid 1 sub a Fw Pro onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker niet kan voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot schuldsanering af. De uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen op 5 juli 2011 in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het verzoek tot schuldsanering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat verzoeker niet kan voortgaan met betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector civiel recht
zaaknummer: 92631 FT-RK 11/5162
afwijzing schuldsanering
Op 3 mei 2011 is ter griffie binnengekomen een verzoekschrift met bijlagen van
[verzoeker],
wonende te [adres]
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 5 juli 2011. Daarbij is verzoeker gehoord. Namens de afdeling schuldhulpverlening van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard is verschenen mevrouw Y. Uyterlinde.
Verzoeker heeft twee schuldeisers. De Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard heeft een preferente vordering van € 778,65 op verzoeker en ING heeft een concurrente vordering van
€ 101.464,47 op verzoeker.
Gebleken is dat verzoeker thans een WWB-uitkering heeft en dat hij ING een akkoord heeft aangeboden inhoudende dat ING na drie jaar, bij een gelijkblijvend inkomen van verzoeker, 2,06% van haar vordering krijgt uitbetaald. ING heeft niet ingestemd met dit akkoord aangezien ING de verwachting heeft dat verzoeker op korte termijn zal kunnen re-integreren op de arbeidsmarkt waardoor zijn afloscapaciteit zal toenemen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij thans bezig is met een re-integratietraject, dat hij solliciteert en dat hij nog steeds een betalingsregeling wil treffen met ING zodra hij werk heeft en zodra hij zijn schuld aan de Regionale Sociale Dienst heeft afgelost. Namens ING heeft mevrouw I.M. Staphorius verklaard dat ING bereid is om alsdan met verzoeker een betalingsregeling te treffen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 288 lid 1 sub a Fw Pro volgt, dat indien onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, het onderhavige verzoek zal moeten worden afgewezen. Nu verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij een betalingsregeling wil treffen met ING zodra hij werk heeft en hij zijn, relatief geringe, schuld aan de Regionale Sociale Dienst heeft afgelost en ING eveneens ter zitting heeft verklaard bereid te zijn alsdan een betalingsregeling te treffen, is de rechtbank van oordeel dat thans onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. A.J. van Spengen en uitge¬spro¬ken ter open¬bare te¬rechtzit¬ting van 5 juli 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier .