ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9624
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Wijziging kinderalimentatie bij co-ouderschap na beëindiging relatie
Partijen hadden een affectieve relatie die in 2006 eindigde, met een minderjarige zoon die erkend is door de man en met gezamenlijk ouderlijk gezag. De zorgverdeling is zodanig dat het kind 46% van de tijd bij de man verblijft, wat neerkomt op co-ouderschap. De vrouw verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie te wijzigen naar €605 per maand met ingang van 1 januari 2011, terwijl de man een lagere bijdrage van €270 per maand voorstelde, gebaseerd op de methode van het hof Amsterdam en de Methode Bol.
De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke schriftelijke overeenkomst uit 2006 een grove miskenning van de wettelijke maatstaven betrof, mede gezien het verschil in draagkracht tussen partijen en de behoefte van het kind. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €902 per maand, rekening houdend met een co-ouderschapsverhoging van 16% conform de Tremanormen. De draagkracht van de man en vrouw werd berekend op respectievelijk €2230 en €536 per maand.
De rechtbank besloot dat de man een bijdrage van €276,21 per maand aan de vrouw dient te betalen, ingaande 1 juni 2011, de eerste dag van de maand volgend op de indiening van het verzoekschrift. De wettelijke indexering is van rechtswege van toepassing. De proceskosten worden gecompenseerd zodat ieder zijn eigen kosten draagt. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 juni 2011 €276,21 per maand aan kinderalimentatie betalen aan de vrouw.