ECLI:NL:RBDOR:2012:BW0356
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor verkrachting en seksueel misbruik
De rechtbank Dordrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers in de periode 1992-2010. De tenlastelegging betrof onder meer verkrachting van een minderjarige en seksueel binnendringen van een kind onder twaalf jaar.
Tijdens de terechtzitting heeft de officier van justitie gepleit voor vrijspraak voor het primaire feit van seksueel binnendringen, maar wilde bewezenverklaring voor de overige feiten. De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was, met name omdat verklaringen van horen zeggen niet voldoende waren en er geen studioverhoor van het slachtoffer had plaatsgevonden.
De rechtbank stelde vast dat hoewel verdachte een feitelijk overwicht had op het slachtoffer en misbruik maakte van zijn positie, dit niet automatisch dwang in de zin van artikel 242 Sr Pro betekent. Er ontbraken concrete bewijzen voor opzettelijke psychische druk of een bedreigende situatie die het slachtoffer verhinderde zich te verzetten. Ook voor het tweede feit was er onvoldoende overtuigend bewijs, omdat verklaringen van derden slechts op horen zeggen waren gebaseerd.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en verklaarde de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De rechtbank betreurde het ontbreken van een studioverhoor, wat mogelijk meer duidelijkheid had kunnen verschaffen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor het vereiste element van dwang bij verkrachting en seksueel misbruik.